in het najaar van 2017 organiseerde nieuwsplatform Foodlog de zesdaagse cursus Filosofie van voedingswetenschap. De focus was waarom de vraag ‘wat is gezonde voeding?’ zo moeilijk te beantwoorden is geworden. Wij, Dorien Voskuil en Matthijs Fleurke, verbonden aan zowel de opleiding Voeding en Diëtetiek als het lectoraat Mantelzorg van De Haagse Hogeschool, waren beiden cursist. De Foodlogcursus maakte ons enthousiast om een pleidooi te houden voor het belang van filosofie voor diëtisten.

Wat is filosofie?
Wat is filosofie eigenlijk? Een mogelijke omschrijving zou kunnen zijn: ‘niet vragen beantwoorden, maar antwoorden bevragen’. Een voorbeeld geeft filosoof en arts Bert Keizer in het NTVD van april; hij gaat er niet vanuit dat ondervoeding bij ouderen een probleem is, maar hij vraagt zich juist af waarom dat eigenlijk een probleem zou zijn.1 De wetenschap probeert vragen te beantwoorden; voedingsleer bijvoorbeeld wil antwoorden geven op de vraag wat gezonde voeding is. Maar het is de taak van de filosofie om de gegeven antwoorden kritisch te bevragen.

De bekende filosoof Immanuel Kant (1724-1804) stelde drie filosofische kernvragen2:
1. Wat kunnen we weten?
2. Wat moeten we doen?
3. Wat mogen we geloven?

Deze drie vragen gaan we gebruiken om ons doel - een pleidooi voor het belang van filosofie voor de diëtetiek - handen en voeten te geven. We zetten daarbij voorbeelden uit de diëtistische praktijk in. Onze methode is filosofisch: we zullen, aan de hand van de drie kernvragen van Immanuel Kant, geen vragen beantwoorden, maar antwoorden bevragen.

Praktijkprobleem
‘Wat is gezonde voeding?’ Deze vraag wordt steeds meer gesteld, in zowel de media als ook op het diëtistisch spreekuur. Invloedrijke critici wijzen de autoriteit van wetenschap bij het beantwoorden van deze vraag af. Waarom wantrouwen mensen wetenschappelijke antwoorden? Waarom moet de diëtist uitleggen dat hij of zij de onderzoeken van de Gezondheidsraad volgt? Waarom zijn de adviezen van het Voedingscentrum problematisch geworden?


Matthijs Fleurke
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


1. Wat kunnen we weten?
Wat weten we door voedingswetenschap en wat niet?


Stel, een cliënt vraagt aan een diëtist ‘wat is gezonde voeding?’. Volgens onze methode - niet vragen beantwoorden, maar antwoorden bevragen - eerst een tegenvraag: waarom zou je deze vraag aan een expert, zoals een diëtist, stellen?

Mensen lijken steeds meer afhankelijk te zijn van (wetenschappelijke) experts, in plaats van het eigen gezond verstand te gebruiken
Experts
“Voeding is toch eigenlijk heel gewoon”, zei één van de docenten van de cursus, een filosoof. “Baby’s hebben al een aangeboren reflex om melk te drinken, ons lichaam geeft aan wanneer er eten in moet en wanneer het vol zit, wat lekker is en wat niet, en tradities vertellen ons wat wel en niet acceptabel is als voedsel. Waarom hebben we daar een expert als een diëtist voor nodig?”

Mensen lijken steeds meer afhankelijk te zijn van (wetenschappelijke) experts, in plaats van het eigen gezond verstand te gebruiken.3 Het is bijna lastig geworden om aan voeding te denken zonder ook aan gezondheidseffecten te denken – het soort denken dat typisch is voor een expert, maar niet voor een leek (of dat niet zou moeten zijn). Het zijn juist ook experts die vaak zo ingewikkeld over voeding doen. Denk maar aan de controverse over alcohol; is één glaasje nu wel of niet goed?4 Of denk aan het advies over vlees en vleeswaren: het mag wel, maar niet meer dan vijfhonderd gram per week; maximaal driehonderd gram rood vlees; niet bewerkt; vervangbaar, mits we voldoende ijzer binnenkrijgen.

Wetenschap
Een logische andere filosofische tegenvraag betreft niet de expert (zoals de diëtist of voedingswetenschapper), maar de voedingswetenschap zelf: waarom zou de voedingswetenschap de vraag naar gezonde voeding kunnen beantwoorden? Voor leken is de voedingswetenschap ingewikkeld, omdat uitkomsten soms zo in strijd zijn met de alledaagse ervaring. Gewone mensen weten of geloven vaak dingen over voeding omdat ze uit ervaring begrijpen wat het effect van de inname is. Maar de wetenschappelijke methode werkt natuurlijk anders, gebaseerd als zij is op aanwijzingen (bewijs is niet de juiste vertaling van ‘evidence’) en vooronderstellingen. De voedingswetenschap, die uitspraken doet gebaseerd op gemiddeldes, kan dus tot heel andere conclusies komen dan een leek al jaren bij zichzelf ervaart - wat natuurlijk tot verwarring of zelfs scepsis kan leiden.

Complex / veel Variabelen
De voedingswetenschap heeft te maken met een complex onderzoeksgebied en complexe methoden. De ene mens is de andere niet; wat bij de een leidt tot overgewicht, doet dat bij de andere niet. Sommige mensen roken, sporten niet, eten ongezond maar worden toch niet ziek. Anderen roken niet, sporten wel, eten gezond maar worden wel ziek. Omdat alle combinaties van deze (en andere) variabelen mogelijk zijn en in de tijd kunnen veranderen, is voedingswetenschappelijk onderzoek naar de effecten van bijvoorbeeld vruchtensappen op de gezondheid (zeker op de langere termijn) lastig.

Methoden
Ook de methoden die de voedingswetenschap gebruikt ,zijn complex. De gouden standaard, de rct, is vaak niet toe te passen (want: daar zijn veel mensen voor nodig, het is ethisch vaak niet verantwoord, en simpelweg vaak niet haalbaar om één aspect te isoleren en de overige hetzelfde te laten). En om het effect van bijvoorbeeld vruchtensappen op gezondheid te meten, moeten wetenschappers weten wat mensen hebben gegeten en gedronken. Maar hoe? Voedingsdagboekjes leveren vaak onnauwkeurige gegevens op. Kortom, een grote verscheidenheid aan interacterende oorzaken en een grote verscheidenheid van aan elkaar gerelateerde uitkomsten, maakt de voedingswetenschap erg complex.

2. Wat moeten we doen?
Hoe moeten diëtisten handelen?

Stel dat een diëtist op de vraag ‘wat is gezonde voeding?’ antwoordt: “Margarine van dit en dat merk is gezond”. De filosofische tegenvraag zou zijn: welke redenen heeft de diëtist om te zeggen dat deze margarine gezond is? Vanwege de context van ons onderwerp (de cursus van Foodlog) relateren we deze filosofische kernvraag vooral aan financiering van onderzoek en praktijkvoering.

Integer
Een docent van de cursus, die (financiering van) voedingsonderzoek van een groot levensmiddelenbedrijf regelt, laat zien wat het bedrijf doet om integer te handelen in het doen van onderzoek, maar vertelt ook dat het bedrijf tegen veel (voor)oordelen aanloopt. Mogen bedrijven überhaupt wetenschappelijk onderzoek financieren? Het lijkt erop dat ze de schijn tegen hebben; grote voedingsbedrijven worden gewantrouwd omdat ze alleen maar uit zouden zijn op geld en zelfs ten koste van onze gezondheid meer willen verdienen.

Gebruikte methodes en aannames zijn niet altijd onomstreden
Complex
De werkelijkheid is complexer. Zonder samenwerking met bedrijven kan veel onderzoek niet gedaan worden. Zijn er überhaupt financiers (en onderzoekers) die waardenvrij onderzoek doen? Het zijn niet alleen bedrijven als onderzoekfinanciers die onderliggende waarden hebben. Een andere cursusdocent laat zien dat financiers van voedingsonderzoek vaak vasthouden aan traditional research in plaats van participatory research. Voedingsonderzoek is dus voor een deel politiek, omdat het te maken heeft met macht en geld. Natuurlijk, we zullen het allemaal verwerpelijk vinden als een financier onwelgevallige conclusies onder de pet houdt, maar mag een financier zich wel bemoeien met de onderzoeksvraag? En met de methode? Is er een duidelijke grens?

Verschillende stemmen
Binnen de voedingswetenschap klinkt dus niet elke stem even hard. En daar zijn meer voorbeelden van. Zo verzucht een andere docent, een diëtist die patiënten met type 2 diabetes op een niet-standaard manier behandelt, dat ze om geloofwaardig gevonden te worden eigenlijk altijd een hoogleraar nodig heeft die haar ideeën steunt. Weer een andere docent, een kinderarts die te hoop loopt tegen bijvoorbeeld kindermarketing, zegt hetzelfde; je moet echt een bepaalde positie hebben verworven voordat er in Den Haag, maar ook door lagere overheden, naar je geluisterd wordt.

3. Wat mogen we hopen?
Wat zal kennis de diëtist en de cliënt brengen?

Stel dat we precies weten hoe we gezond moeten eten zodat we niet ziek worden? De filosofische tegenvraag zou bijvoorbeeld zijn: Kunnen we daar wel iets over zeggen, omdat wat eens als gezond gold, dat nu niet meer is. De discussie over de gezondheid van bijvoorbeeld zuivel, vetten5 en koolhydraten zal nog wel even duren. Ondertussen gaan wetenschappers verder; er zijn nieuwe ontwikkelingen en nieuwe beloftes.

Op de cursus zelf kregen we met Keer Diabetes2 Om heel concreet zicht op een belofte, namelijk dat medicijnen tegen DM2 niet meer nodig hoeven te zijn.6 Geldt dit voor iedere patiënt met DM2? Ook andere beloftes kwamen we tegen. Big Data kan helpen bij het stellen van diagnoses, of gebruikt worden in de commerciële setting. Denk bijvoorbeeld aan de bonuskaart van de Albert Heijn, die ook gebruikt kan worden om een veelheid van gegevens te combineren; welke dag, welke tijd, wat koopt iemand, hoeveel, hoe past dat in vroegere aankopen, hoe past dat bij soortgelijke mensen, enzovoort.

Voedingswetenschap kan mensen afhankelijk en onzeker maken
Aan zo’n persoonlijke bonuskaart kan in de toekomst ook een andere functie toegevoegd worden. Zo liet een cursusdocent zien dat middels individualized nutrition, door bestudering van individuele genoom, we wellicht maatregelen kunnen treffen, waardoor mensen 123 jaar kunnen worden. Heel concreet betekent individualized nutrition bijvoorbeeld dat als we in de toekomst een pakje boter kopen en onze kaart scannen, we niet het algemene advies krijgen ‘vet is slecht voor u’, maar: ‘voor u, meneer Fleurke, geldt dat u 1,5 jaar minder lang leeft als u dit eet’. Hoewel we ook hierover natuurlijk vele filosofische vragen kunnen stellen, beperken we ons tot één vraag: Misschien kunnen we in de nabije toekomst inderdaad 123 jaar worden, maar willen we dat?

‘Wat is gezonde voeding?’ hebben we vanuit drie filosofische vragen belicht. Elk van deze vragen geeft aanleiding om nieuwe vragen te stellen die ons relevant lijken voor de diëtetiek.

1. Wat kunnen we weten?
Mensen kunnen door vele berichten in de media over voeding en gezondheid die elkaar nogal eens tegenspreken sceptisch worden over (voedings)wetenschap en diëtetiek. Bespreek je de waarde(n) van wetenschappelijk onderzoek en de eigen ervaring wel eens met patiënten?

2. Wat moeten we doen?
Verzekeraars lijken van plan te beknibbelen op de vergoeding voor consulten, en daarmee staat het inkomen van diëtisten onder druk. Hoe ver mag een diëtist gaan om het inkomen op een andere manier aan te vullen? Mag je als diëtist bijvoorbeeld commerciële producten aanraden zonder erbij te zeggen dat je persoonlijk verbonden bent aan de producent? Kun je op je website producten promoten als de producent je daar iets voor geeft?7

3. Wat mogen we hopen?
(Voedings)wetenschap kan mensen patiënten mooie beloftes doen over de toekomst. Gelden die beloftes vooral voor een bepaald type patiënt (bijv. een patiënt die in staat en bereid is telkens gezonde keuzes te maken en daarin door naasten gestimuleerd wordt)? Is gezondheid en lang leven voor iedereen het hoogste doel?

Een diëtist weet dat wetenschappelijke feiten alleen maar waardevol zijn als ze in de context van het alledaagse leven van die specifieke patiënt geplaatst kunnen worden
Conclusie: wat kan de diëtist met filosofie?
Aan de hand van drie filosofische vragen hebben we, door antwoorden te bevragen, geprobeerd te laten zien wat het belang is van filosofie voor diëtisten. Diëtisten baseren zich in hun werk voor een belangrijk deel op de resultaten van de (voedings)wetenschap. Maar voedingswetenschap kan mensen afhankelijk en onzeker maken, en gebruikte methodes en aannames zijn niet altijd onomstreden. Ook blijkt dat wat er onderzocht wordt nogal eens van geld en macht af te hangen. En ten slotte kunnen we ons afvragen of beloftes uit de wetenschap wel echt aansluiten bij wat cliënten willen.

Eén van de grootste verschillen tussen diëtisten en (voedings)wetenschappers is dat diëtisten echte patiënten voor zich hebben, en met hen - en eventueel hun naasten - een zekere relatie hebben. Daardoor weet een diëtist dat wetenschappelijke feiten alleen maar waardevol zijn als ze in de context van het alledaagse leven van die specifieke patiënt geplaatst kunnen worden. Daar gaat wat ons betreft diëtistische filosofie over, over de waarden van voedingswetenschap en over de waarde ervan voor al die verschillende patiënten.

Literatuur
1. Koningsbruggen van W. (2018). Eten is een basale vorm van lief zijn voor elkaar, NTVD, Vol. 73.
2. Störig, Hans Joachim. Geschiedenis van de filosofie. Houten: Het Spectrum, 2008.
3. Bransen J. Een pleidooi voor gezond verstand. Jan Bransen. [Online] 12 maart 2013. [Citaat van: mei 3 2018.] JanBransen.nl.
4. Dietvorst G. Verwarring over alcohol, dus de onderzoeker legt het nog één keer uit. NOS.nl. [Online] 19 April 2018. [Citaat van: 2 Mei 2018.] Nos.nl.
5. Muskiet F. Biologie zet potje met vet weer midden op tafel. Foodlog. [Online] 2 mei 2017. [Citaat van: 4 mei 2018.] Foodlog.nl.
6. Keer Diabetes2 Om. Leefstijl als medicijn. Keer Diabetes2 Om. [Online] [Citaat van: 4 mei 2018.] Keerdiabetesom.nl.
7. Gingras J, Duchen R. Encyclopedia of Food and Agricultural Ethics. Ethics of Dietitians. Dordrecht: Springer, 2014.


Dit artikel verscheen eerder in het Nederlands Tijdschrift voor Voeding & Diëtetiek.
Dit artikel afdrukken