Het congres was niet toevallig op deze plek. Ede wil dé Foodstad zijn. Niet alleen om Ede tot gezonde gemeente te maken, maar ook in de toekomst de 9, 10 of misschien wel 11 miljard wereldburgers te kunnen voeden. “In Nederland kunnen wij hier een voortrekkersrol in pakken”, vertellen Frits Dimmendaal van de gemeente Ede en Marcel Goossens van het World Food Center (WFC). “Wij voelen de verantwoordelijkheid om te zorgen voor de gezondheid, elkaar, de planeet en de keten waardoor we gevoed worden.”

Educatief en attractief
Het WFC heeft grootse plannen om alles rondom voeding te verbeteren. Het terrein van het WFC moet het ‘Food Innovation District’ worden: een clustering van innovatieve bedrijven die samen met allerlei verschillende andere partijen zorg gaan dragen voor vooruitgang in voeding. ‘Het is ingewikkeld: instanties die niet vanzelfsprekend met elkaar samenwerken moeten dit nu wel gaan doen. De overheid, industrie, NGO’s, bedrijven en consumenten moeten met elkaar om de tafel.’ Daarnaast komt er een World Food Experience Center. Dit moet een bezoekerscentrum worden dat niet alleen informatief is, maar ook attractief. Dat houdt in dat in het bezoekerscentrum alles op een zintuiglijke manier wordt uitgelegd over allerlei processen rondom voeding, waaronder de hele voedselketen. “Wij hopen dat mensen aan elkaar gaan vertellen: ‘daar moet je heen.’ Hopelijk brengt die bewustwording en informatie al een verandering bij de ouders teweeg. Maar vooral hopen we dat er bij kinderen een zaadje geplant wordt over hoe het is gesteld met voeding en wat er moet veranderen. Want zij zijn de voedingsexperts van de toekomst”, aldus Goossens.

Fogliano zocht de oplossing in een andere hoek. Hij zou het liefst het aanbod precies hetzelfde laten maar de producten gezonder maken, zonder dat de prijs en de smaak veranderen
Panels en presentaties
Na deze opening verdeelden de ruim 130 bezoekers zich over verschillende zalen, met elk een eigen thema. Naast presentaties was er ook in iedere ronde een paneldiscussie. Het eerste panel bestond uit Ismay Wiggers (diëtist en betrokken bij Kenniscentrum Zoetstoffen), Vincenzo Fogliano en Kees de Graaf (hoogleraren van Wageningen University). Zij gingen in gesprek over herformulering van producten. Dick Veerman stelde de panelleden de vraag: ‘Als Ede de ruimte zou bieden en alles zou kunnen, wat voor experiment zou je dan graag willen doen?’ De antwoorden liepen uiteen. De Graaf zou frisdranken de schappen uit willen hebben. “Die vloeibare suikers zorgen voor teveel calorieën die te snel naar binnen glijden. We moeten de snelheid waarmee mensen eten juist vertragen zodat ze aandacht kunnen hebben voor wat ze in hun mond stoppen.” Ook pleitte De Graaf voor experimenten met voedsel dat meer bite heeft en vanzelf uitnodigt tot kauwen. Denk bijvoorbeeld aan brood met een flinke korst, maar je kunt ook aan nieuwe industriële producten denken die je niet even snel kunt wegslikken.

Pascale Naessens presenteerde haar visie en signeerde haar boeken

Stiekem herformuleren
Fogliano zocht de oplossing in een andere hoek. Hij zou het liefst het aanbod precies hetzelfde laten maar de producten gezonder maken, zonder dat de prijs en de smaak veranderen. En dat aan niemand vertellen. “Alle veranderingen in productsamenstellingen worden uitgebreid aangekondigd. Mensen die gezonder willen eten, vinden dat wel interessant. Maar mensen die daar niet mee bezig zijn, kopen dat dan juist niet. Ik zou willen weten wat er gebeurt als we gewoon niets vertellen en producten wel gezonder maken.”

Wat Wiggers betreft verdwijnen alle suikerhoudende dranken uit de scholen en krijgen de ouders geen inspraak
Wiggers sprak vooral over het verminderen van suiker, al dan niet door het te vervangen door zoetstoffen. "Kinderen zouden vooral moeten leren zoete drankjes en suikerrijke tussendoortjes te laten staan." Wat Wiggers betreft verdwijnen alle suikerhoudende dranken uit de scholen en krijgen de ouders geen inspraak. De kinderen wel: "Laat hen helpen de flesjes uit te kiezen waaruit ze water tappen." Pubers moet je anders benaderen, zegt ze. "Bij hen helpt zedepreken niet. Ongezond eten zou ‘fout’ moeten worden; je moet het dus eigenlijk een beetje belachelijk maken. Zo wordt gezond eten hip." Bij volwassenen is het weer een ander verhaal. Wiggers: "Volwassenen en ouderen hebben ingesleten gedrag. Het is moeilijk om dat te veranderen en ze blijven uit gewoonte toch behoefte houden aan zoet. Vaak is het beter haalbaar als zij suiker vervangen door zoetstoffen.”

Marjolein Streur
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


Discussie
Na deze antwoorden kwam er in de zaal een levendige discussie op gang. Moeten we niet gewoon naar onbewerkt eten in plaats van juist verder bewerken? Is het nodig dat we aan de zoete voorkeur tegemoet komen, of moeten we gewoon die zoete smaak afwennen? Wat is eigenlijk de invloed van zoetstoffen op het lichaam en op de aanmaak van insuline?

Dit panel bleek niet per se fan van vers en onbewerkt eten. “Onbewerkt eten is niet haalbaar voor iedereen”, was de reactie van Wiggers. “Alleen maar onbewerkt eten, daar zijn we niet voor gemaakt”, vond de Graaf onder verwijzing naar de primatoloog Richard Wrangham die de theorie lanceerde dat koken (bewerken) en mensen bij elkaar horen. “Bovendien is er ook onbewerkte voeding waar je makkelijk teveel van eet. We kunnen voedingsmiddelen juist zo bewerken dat je er langer op moet kauwen.” Fogliano voegde daaraan toe dat het eigenlijk niet gaat over bewerkt of onbewerkt, maar over geraffineerd of ongeraffineerd. “Dankzij bewerking kunnen we producten maken die heel gezond zijn. Maar geraffineerde producten zijn nooit gezond.”

Ook role model Wim Tilburgs van Je Leefstijl als Medicijn was van de partij, samen met Jacqui van Kemenade (niet op de foto)

Zoetstoffen
Het panel had geen probleem met het gebruik van zoetstoffen. “Bij dieren is het controversieel of zoetstoffen een slechte invloed hebben. Bij mensen kunnen we daar niets over vinden. Door zoetstoffen gebeurt er niets met de insuline-spiegel”, vertelt de Graaf. Dus, concluderen de Graaf en Wiggers, met zoetstoffen kun je prima voldoen aan de voorkeur voor zoet, zonder dat het meetelt in de calorieën. “Bovendien”, zegt De Graaf, “wat is eigenlijk het probleem met zoet? De vraag is of mensen die smaakvoorkeur wel kunnen ontwennen. De suikerconsumptie in Nederland is al sinds de jaren ’60 zo goed als stabiel. En bij overgewicht speelt het ook geen belangrijke rol; dikke mensen eten niet meer zoet dan dunne mensen. Dus waarom zouden we de zoete smaak moeten afwennen?”

Nutella
Nutella bleek illustratief voor de meningen van deze 3 panelleden. Fogliano begon met Nutella als voorbeeld: “Mensen willen het toch eten, dus laten we het zo gezond mogelijk maken, zonder aan de smaak en prijs iets te veranderen.” De Graaf vond juist dat we aan Nutella niets moesten veranderen: “Mensen genieten daarvan en niet alles hoeft veranderd. Originelen mogen ook blijven bestaan.” Wiggers pleitte ook voor het behouden van Nutella. “Laat Nutella voor wat het nu is. Dat is vooral vet en niet zozeer zoet. Jam is erger. Ik denk dat je met herformulering uit moet kijken. Je kunt beter een gewoon product en een light product naast elkaar hebben, dan dat je aan de vertrouwde Nutella iets gaat veranderen.”

Product, omgeving én leefstijl veranderen zijn 3 strategieën die allemaal belangrijk zijn om gezonder te eten. Op alle 3 die factoren kun je interventies inzetten en pas dan zal het helpen
Suikertaks en frisdrankconsumptie
Keynote-spreker Maartje van den Berg van Rabobank nam het publiek mee in de cijfers rond suiker. “Suikerhoudende producten zijn overal en lastig te vermijden. Van alle suiker die we eten op een dag, komt maar 15% door wat we zelf toevoegen in de keuken. Voor de rest zit het vooral in producten. En dan niet alleen in koekjes of snoep, maar ook in sauzen, soepen. Producten waar je het niet direct in verwacht. Zoetstoffen vormen maar 12% van de markt. Daar moet je ook altijd weer andere stoffen aan toevoegen om de goede smaak te krijgen. Suiker is veel makkelijker te gebruiken.” Vervolgens ging van den Berg in op de suikertaks. “In het Verenigd Koninkrijk is de suikertaks een succesvol voorbeeld van het verminderen van het gebruik van suiker. Eerst was er groot protest bij bepaalde groepen consumenten. Inmiddels is dat afgezakt en geaccepteerd. De frisdrankconsumptie blijkt even groot te blijven, maar mensen krijgen minder suiker binnen via die frisdranken. Wel meer zoetstoffen, maar daar zijn ze in Engeland niet zo huiverig voor als in Nederland.” Haar key message: product, omgeving én leefstijl veranderen zijn 3 strategieën die allemaal belangrijk zijn om gezonder te eten. Op alle 3 die factoren kun je interventies inzetten en pas dan zal het helpen.

Het geheim voor succes? Op het juiste moment met de juiste mensen praten
Lokale initiatieven
De tweede panelsessie ging vooral over de factor verandering van de omgeving. Moeten we lokalen regionale initiatieven starten? Of moeten we wachten tot er op nationaal of zelfs Europees niveau iets verandert? Marit Rietveld van de gemeente Ede en Linda Schonewille van JOGG vertelden over hun initiatieven, die lokaal zijn opgezet, maar die steeds meer uitbreiding krijgen. Ze zijn het erover eens dat het gaat om samenwerking tussen allerlei partijen zoals burgers, scholen, pretparken, supermarkten, plaatselijke beleidsmakers. Zo kom je tot een integrale aanpak wat de grootste kans op succes geeft. Maar het is wel lastig om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Het geheim voor succes? “Op het juiste moment met de juiste mensen praten”, zegt Rietveld. Voedingsdeskundige Stephan Peters van de Nederlandse Zuivel Organisatie benadrukt dat een integrale aanpak zeker belangrijk is, maar dat je dan ook moet kijken naar wat de factoren zijn die de aanpak succesvol maken. “Is het vermindering van suiker? Of ligt het misschien op het sociale aspect? Daar kun je in lokale projecten veel gemakkelijker op sturen dan vanuit nationaal overheidsbeleid.” Peters blijkt niet zo te geloven in productherformuleringen, maar vooral in een aanpak die de omgeving en het gedrag van consumenten beïnvloedt en zo hun consumptie remt. "Zijn we na de vetangst", vraagt Peters prikkelend, "nu wellicht belandt in een suikerangst?" Daarmee suggereert hij dat het gedrag en de manier van aanbieden maar niet de producten, de kern van het vraagstuk zijn.

Panelgesprek 2

Er moet veel meer lokaal worden geëxperimenteerd. Lokale initiatieven zijn voorlopers in transities in voedselsystemen en we hoeven niet alles samen te doen. Maar, waarschuwt Pushkarev nadrukkelijk, niet alles kun je op lokaal niveau aanpakken. We hebben te maken met markten op nationaal, Europees en globaal niveau. Dat kan je niet allemaal aanpakken als je lokaal blijft kijken
Lokaal, nationaal of globaal?
Ook Nikolai Pushkarev van de European Public Health Alliance blijkt een groot voorstander van lokale projecten. “Er moet veel meer lokaal worden geëxperimenteerd. Lokale initiatieven zijn voorlopers in transities in voedselsystemen en we hoeven niet alles samen te doen. Maar", waarschuwt Pushkarev nadrukkelijk, "niet alles kun je op lokaal niveau aanpakken. We hebben te maken met markten op nationaal, Europees en globaal niveau. Dat kan je niet allemaal aanpakken als je lokaal blijft kijken. Maatregelen op die niveaus kunnen ook lokale initiatieven weer versterken.” De crux lijkt volgens het panel te zitten in vertrouwen. Pushkarev: “Mensen vertrouwen niet meer in overheden, in fabrikanten, of in de wetenschap. Daarom zijn lokale initiatieven belangrijk. We vertrouwen mensen met wie we in gesprek zijn, mensen die we kennen. Of we moeten een ‘held’ hebben, iemand waar we in geloven en dus vertrouwen in hebben. Dat kunnen we lokaal opbouwen, maar we zijn nu eenmaal geïntegreerd in de wereld en dus kan niet alles lokaal. Dat is een uitdaging.”

Waarde-conflicten
De derde en laatste panelsessie van de dag ging in op de rollen en verantwoordelijkheden van de instituties in de samenleving, zoals wetenschap, overheid, bedrijven, artsen en burgers zelf. Jilde Garst, onderzoeker van de Wageningen University, ging in op de conflicten die een rol spelen bij het streven naar maatschappelijke gezondheid. Ten eerste is er geen eensgezinde mening over hoe die zo gewenste ‘betere gezondheid’ het beste gerealiseerd kan worden. Gaat het bijvoorbeeld over suikerreductie of over calorie-reductie? Ten tweede is het probleem dat meerdere maatschappelijke waarden niet verenigbaar zijn in 1 oplossing. Bijvoorbeeld: producten worden met suiker lekker gemaakt voor je genot, maar dat is niet goed voor je gezondheid. Ook in de discussie rondom deze punten kwam weer het verschil tussen lokaal en globaal naar voren, en de cruciale rol die vertrouwen daarin speelt. Een deel van het geven van vertrouwen is gebaseerd op consistentie in de adviezen en geluiden die burgers te horen krijgen, vindt Marieke Battjes-Fries van het Louis Bolk Instituut. “De discussie over wetenschappelijke onenigheden moet eigenlijk buiten burgers om worden gevoerd.
Vertrouwen in consistent beleid en consistente communicatie op langere termijn zijn essentieel om verandering op gang te brengen
Anders zeggen ze ‘ach, ze weten het toch niet, ik eet wel gewoon wat ik altijd eet’. We moeten juist niet wachten tot we een definitie van gezond hebben en het daar eindelijk over eens zijn; dan staan we stil.” En ook de samenwerking met meerdere partijen kwam tijdens dit gesprek opnieuw naar voren. Net als hoe moeilijk dat is. Paul van der Velpen, van Bureau Publieke Gezondheid vertelde over de Amsterdamse Aanpak Gezond Gewicht. Daaraan doen ongeveer 300 partijen mee, waaronder Albert Heijn. Toch ligt bij Albert Heijn nog steeds snoep bij de kassa. “Ze hebben het lef gehad dat een week weg te halen om te kijken wat er dan gebeurde. Maar dat scheelde, meen ik, €700 per kassa per week. Dat loopt in de tientallen miljoenen per jaar, dus snoep was snel weer terug op die plek.” Van der Velpen prees wethouder Eric van der Burg (VVD) van Amsterdam die duidelijk maakte dat hij het meedoen van alle partijen verbond aan een beleidstermijn van 2 decennia. Alleen bij consistent beleid weet iedereen dat hij daar op kan bouwen en ontstaat de wil om mee te doen.

Gezondheidscoach Ralph Moorman gaf een lezing

Gedragsverandering begint bij wat mensen belangrijk vinden
Wat vindt iemand belangrijk?
Bepaalde maatregelen zullen op lokaal niveau ook niet lukken, die moeten nationaal geregeld worden. De overheid kan ook meer doen op het gebied van communicatie, zegt huisarts Karel Bos. “Gedragsverandering begint bij wat mensen belangrijk vinden. Daar moet je goed naar kijken. Jonge mensen met een kinderwens vinden het bijvoorbeeld belangrijk om gezonde kinderen te krijgen. Daar kun je wat mee. Mannen die noten eten, zijn vruchtbaarder. Als mensen dat weten, dan willen ze wel veranderen. De positieve publiciteit over leefstijl is zo gigantisch groot, dat krijgt vanzelf de overhand boven alle discussies uit. En het blijkt dat mensen de huisarts het meest vertrouwen als informatiebron, dus daar ligt een rol voor ons als huisartsen. Toen ik 20 jaar geleden over voeding begon, vonden mensen het belachelijk. Nu ben je als arts juist afwijkend als je niets met voeding doet.”

Leverde de dag een nieuw inzicht op? "Mag ik het een beetje sociologisch samenvatten?", vroeg panelleider Dick Veerman terug. "In de panels legden we steeds de vinger op dat zere plekje waar het aan ontbreekt. We moeten willen bouwen aan vertrouwen in consistent beleid, consistente communicatie en ieders welwillendheid op langere termijn. Die drie factoren zijn essentieel om verandering op gang te brengen. Voor dat vertrouwen moeten mensen met elkaar in gesprek. Dat komt niet tot stand tussen instituties, want die vertrouwen we als samenleving nou juist niet meer. Daar moeten we het dus ook niet van hebben. In de menselijke maat van lokaal, echt en warm contact schuilt de kans om het grote geheel weer op te bouwen. Daar kunnen die instituties wél weer hun menselijkheid tonen."
Dit artikel afdrukken