De mens als jager-verzamelaar was onderdeel van de natuurlijke koolstofcyclus. Toen de mens boer werd maar zowel akkerbouwers als veehouders nog nomadisch leefden, was er sprake van een circulaire landbouw. Voedingsstoffen rouleerden tussen plekken waar ze werden verzameld, verbouwd en gegeten en weer afgescheiden.

Sedentaire landbouw rond vaste nederzettingen veroorzaakte de eerste veranderingen in de oorspronkelijke circulariteit. De landbouw kreeg lineaire componenten. Die ontwikkeling werd sterker onder druk van de groeiende aantallen mensen. Boeren integreerden akkerbouw en veehouderij. Dat leidde tot het gemengde bedrijf op de in deel 1 al besproken esgronden. De natuurlijke productiepotentie van hun akkers werd te beperkt om de groeiende bevolking te voeden. Daarom transporteerden de boeren en hun vee voedingsstoffen van bossen en weiden naar de akkers. De dieren deden dat in de vorm van mest die ze maakten van grazen op woeste gronden. Mensen haalden er snoeisel en plaggen waarmee ze aan permanente lokale bodemverrijking deden ten koste van bodemverarming en uiteindelijk uitputting elders. De voedingsstoffen werden niet teruggebracht van waar ze gehaald waren. Boeren op een vaste plek betekende dan ook het einde van de circulariteit. Fase 2.a was een feit (zie deel 2).

Zuinig omgaan met en terugwinning van voedingsstoffen is een goede zaak, maar de landbouw opnieuw circulair maken is wat anders
Meer marktwerking, meer voedsel, meer welvaart
De toch ingenieuze landbouwsystemen en vormen van mechanisatie zorgden voor een dusdanige productiviteitsverhoging dat steeds minder boeren meer mensen konden voeden. Mensen kregen tijd om andere dingen te gaan doen en zagen kans daarmee geld te verdienen. Andere ambachten ontwikkelden zich, andere bronnen van inkomen brachten groeiende welvaart en een economie die kon draaien om geld in plaats van alleen land en de oogst daarvan. Dat maakte verstedelijking mogelijk en een verdere vermindering van de circulariteit. Steden maakten dat mensen niet meer overal hun behoeften deden en die zodanig sterk concentreerden zodat die zelfs het akkerland niet meer bereikte. De komst van externe productiemiddelen (fase 2.b, zie deel 2) versnelde de afname van de circulariteit verder. Later zou het wereldwijde gesleep met voedsel en voeders die situatie nog extremer maken.

Zuinig omgaan met en terugwinning van voedingsstoffen is een goede zaak, maar de landbouw opnieuw circulair maken is wat anders. Groene Circulaire Meststoffen zijn dan ook slechts een eerste poging tot verandering.

Zo gauw boeren externe productiemiddelen gebruiken en conventionele dan wel groene circulaire kunstmest en dergelijke van elders halen en betalen, moeten ze voor de markt gaan produceren om hun kosten te dekken. Landbouw dient niet alleen meer de zelfvoorziening van de boer, maar moet ook anderen kunnen voeden. Daar moeten inkomens en een geldeconomie tegenover staan. De klanten van de boer in die fase van de economie wonen niet of nauwelijks meer in zijn directe omgeving. Hij gaat produceren voor de stad en voor export naar veel verdere gebieden. Circulariteit wordt daarmee onmogelijk. Voedingsstoffen van de stad terugbrengen naar het platteland is al uitdaging, ze terughalen uit het buitenland is nog ingewikkelder, zodat ons vee soja-akkers uitput als daar geen meststoffen en bodemverbeteraars aan worden toegevoegd.

Belast transport van voedsel
Om die situaties te beperken is het toe te juichen dat meer lokale voedselvoorziening weer de aandacht heeft. Maar de verstedelijkte wereld blokkeert de terugkeer naar ons circulaire verleden zonder geld. Omdat we in steden wonen en ons voedselsysteem alle voedingsstoffen daarheen sleept, kan de boer niet meer zonder de aankoop van externe voedingsstoffen. Door het bestaan van steden moet de boer voor de markt produceren en daarom zal er altijd landbouw met lineaire componenten blijven bestaan. Lokaler kan, maar strikt lokaal is onmogelijk.

Om de welvaart op peil te houden moeten iedere boer een groot aantal burgers kunnen voeden. En alleen al door de specialisatie van de boeren zijn die burgers over een groot gebied verspreid. Om hun inkomen veilig te stellen, leveren boeren het liefst aan de best betalende klanten. En dankzij de intensieve hoogproductieve landbouw is er geen directe relatie meer tussen de productiviteit van landbouwgronden en bevolkingsconcentraties. Meststoffen belanden daarom op plekken waar ze niet de hoogste opbrengst hebben, want voor de grootste oogst hebben ze de beste gronden nodig. Hoe beter de grond, hoe minder immers de productiebeperkende factoren moeten worden gecorrigeerd. Tegen wat gewenst is in, ontstaan echter bijna vanzelf voedselstromen van hoog- naar laagproductieve gebieden. De grote volumes betreffen met name goedkoop, als bulk vervoerd voedsel zoals graan. De boeren die het verbouwen halen hun inkomen uit grootschalige productie met kleine marges.

Vanwege de beperking van de welvaartsval die mensen uiteindelijk zullen wensen, is een deel van de lineariteit in de landbouw onvermijdelijk
Ook voedsel voor rijke markten, zoals vlees en zuivel, koffie, thee en cacao wordt wereldwijd verhandeld, maar in kleinere volumes. Vlees en zuivel hebben zoveel waarde dat het de moeite loont om de basisproducten van heel ver aan te voeren. Denk aan soja en bijproducten uit de palmolie- en katoenindustrie. De grote hoeveelheden basisvoer voor vee worden lokaal geproduceerd, maar het krachtvoer kan van andere continenten komen. Nederlandse boeren laten hun dieren er vlees en melk van maken en zetten die weer internationaal af.

In de zoektocht naar oplossingen voor het probleem van stikstof en broeikasgassen promoot het Nederlandse ministerie van Landbouw zogeheten grondgebonden kringlooplandbouw. Niettemin meldden de media dat de aanvoer van sojaschroot uit Brazilië in 2020 met 40% blijkt te zijn gestegen. Dat kan het gevolg zijn van minder inkopen vanuit de VS. Of dat zo is hebben we niet nader gecheckt omdat de statistieken een duidelijke historische trend laten zien die het omgekeerde van lokale kringlopen en grondgebondenheid laat zien: sinds 1960 is het aangevoerde volume aan veevoedergrondstoffen in Nederland meer dan verviervoudigd.

Al dat gesleep met voeders en voedsel kost een berg energie. Dat geldt ook voor de nog steeds toenemende landbouwmechanisatie om het aantal consumenten dat een boer kan voeden zo groot mogelijk te maken. Het fossiele energieverbruik van de logistiek en mechanisering van het voedselsysteem is groter dan het aandeel van 2,4% dat mondiaal voor rekening van de kunstmestproductie komt. Begin 2020 liet dr. Meino Smit in zijn proefschrift zien dat in 2015 de Nederlandse landbouw per eenheid afgeleverd product zes maal zoveel energie gebruikte als in 1952.

Terug naar de landbouw van 1952 zou echter betekenen dat er 470.000 boeren meer boeren nodig zouden zijn dan nu, maar tevens dat ze niet meer voor hun producten kunnen vragen dan nu het geval is omdat ze dan te duur zijn voor de moderne consument. Die is gewend zijn inkomen aan heel andere zaken dan voedsel te besteden. Het is echter van tweeën een: of we worden armer, of - als andere landen niet meegaan in dezelfde landbouwpolitiek - onze boeren verdwijnen en Nederland moet elders voedsel inkopen.

Vanwege de beperking van de welvaartsval die mensen uiteindelijk zullen wensen, is een deel van de lineariteit in de landbouw onvermijdelijk. Maar het is het overwegen waard om langeafstandstransport duurder te maken door de subsidies op brandstof in die sector aan te pakken en tevens de negatieve milieueffecten in de prijs te verdisconteren. Op dit moment is de diesel voor de scheepvaart vrij van belasting en worden ook groenten en fruit - die van origine in schillen rond steden werden verbouwd - de wereld overgevlogen omdat de kerosineprijs het toestaat. Belastingen op het transport van voedsel zullen de lineariteit van het landbouwsysteem terugdringen ten gunste van een meer grondgebonden landbouw.


Meino Smits pleidooi voor een minder gemechaniseerde landbouw zou nog kunnen passen in de Doughnut-benadering maar zal ook het besteedbaar inkomen dat aan andere consumptie dan voedsel kan worden besteed flink doen afnemen
Boeren voor de markt of voor de eigen kring?
Rijden we daarmee het oplossen van honger in de derde wereld niet in de wielen? Het voert hier te ver om een uitgebreid in te gaan op internationale landbouwpolitiek van landen. Kort willen we hier volstaan met de opmerking dat landen die voor hun thuismarkt veel kunnen produceren behoefte hebben aan exportmarkten om prijsbederf op hun thuismarkt tegen te gaan.

Dat beginsel heeft ertoe kunnen leiden dat landen die hun eigen voedselproductie niet op peil hadden voor de export uit de gemechaniseerde lineaire landbouwlanden op gang kwam op achterstand kwamen. Rijke landen brachten er graag hun overschotten heen. Voedselhulp is dan ook juist ongewenst. Een zelfvoorzienende landbouw in de qua intensivering achtergebleven regio’s is nodig. De gewenste mate van voedselzekerheid is te bereiken dankzij het externe productiemiddel kunstmest dat productie voor de markt mogelijk maakt. Daardoor komt arbeid vrij komt voor sociaaleconomische ontwikkeling en ontstaat welvaart. Dat zal veelal de bevolkingsgroei remmen, waardoor de voedselzekerheid en de welvaart nog verder kunnen toenemen. Uiteraard brengt welvaart de uitdaging met zich mee om het consumentisme waarin de rijke wereld is beland - consumeren om het consumeren - tegen te gaan omdat het uiterst schadelijk is voor onze natuurlijke omgeving. Hiermee zeggen we niet dat welvaart iets vies is en zeker niet dat het grote publiek in Azië, Zuid-Amerika en Afrika er maar van af moet zien maar dat welvaart net als voedselproductie gelijker verdeeld zou moeten zijn. Mensen staan voor de uitdaging een betere balans te ontwikkelen tussen een notie van materiële welvaart als ‘genoeg’ en de voldoening van een nieuwe moraal van het goede leven. In dat licht ontwikkelde bijvoorbeeld de Britse econoom Kate Raworth haar idee van de Doughnut Economy, waarin ze de door het Stockholm Resilience Center gedefinieerde planetary boundaries betrekt.

De facto sluit De Schutter mensen in dergelijke landen uit van participatie aan de moderne rijke samenleving die gecreëerd is door landen met een lineaire landbouw
Raworth lijkt een minder radicale afslag te nemen dan de Waalse mensenrechtenadvocaat en agroecologie-activist Olivier de Schutter. De Schutter bepleit een radicaal circulaire landbouw voor landen die nog geen zelfvoorzienende landbouw hebben (en inmiddels ook voor de EU). Omdat die niet tot nauwelijks kan produceren voor de markt en gericht is op de eigen cirkel of gemeenschap, leidt dergelijk beleid - dat in VN-kringen weerklank vindt - tot een beperkte of zelfs lage graad van welvaart met bovendien voedselzekerheidsrisico’s omdat de esgronden aan uitputtingsgevaren bloot zullen staan. De facto sluit het pleidooi mensen in dergelijke landen uit van participatie aan de moderne rijke samenleving die gecreëerd is door landen met een lineaire landbouw. Meino Smits pleidooi voor een minder gemechaniseerde landbouw zou nog kunnen passen in de Doughnut-benadering maar zal ook het besteedbaar inkomen dat aan andere consumptie dan voedsel kan worden besteed flink doen afnemen. Ook in zijn model neemt de marktwerking af; die wordt vervangen door een schaarste-economie die weer veel meer om voedsel dan andere zaken zal draaien. Met deze opmerkingen willen we aangeven dat de wens om meer circulariteit in de landbouw te bereiken grote effecten heeft op de rest van onze manier van leven en daarom alle politieke aandacht verdient.

Maandag 1 november verscheen deel 1: Groene Circulaire Meststoffen: wat zijn het, waarom willen ze en gaan het we ermee redden. Woensdag 3 november verscheen deel 2: Van stedelijke beerput naar kunstmest en weer terug. Zaterdag 6 november verscheen deel 3: Te duur?. Woensdag 10 november verscheen deel 4: De voor- en nadelen van Groene Circulaire Meststoffen. Zaterdag 20 november verschijnt deel 6: Landbouw en ongelijkheid.

Deze serie wordt, zonder enige redactionele invloed, mogelijk gemaakt door boerencoöperatie Agrifirm. Boeren hebben behoefte aan perspectief en willen graag een duidelijk beeld van de meststoffen die ze de komende 30 jaar mogen gebruiken. Dat beeld is er op dit moment nog niet en kan daarom in de openheid van een niet-ideologisch en zo feitelijk mogelijk gesprek ontwikkeld worden. Een en ander als voorbereiding op (politieke) meningsvorming en normstellingen.

Het Planbureau voor de Leefomgeving adviseert de overheid te komen met dwingende normen voor circulariteit, met name op het gebied van landbouw. Eén van de belangrijkste circulaire schakels in de landbouw is die van mest. Dieren (mensen incluis) eten planten of elkaar en produceren mest die voedsel is voor nieuw leven. Werkt die natuurlijke circulariteit ook in het landbouwsysteem, dat wil zeggen in de natuur die we hebben ingericht om de wensen van naar welvaart strevende mensen optimaal te bedienen? We willen genoeg te eten hebben en daar niet al te veel voor betalen. Tevens willen we de biodiversiteit versterken. Met kunstmest kan dat, een strategie waar de VS op in lijken te zetten. Europese overheden willen er vanaf omdat het maken van kunstmest veel fossiele energie kost en bij te royale toepassing de bodem uitboert. Op dit moment ligt de kunstmestfabriek van Yara in Sluiskil stil omdat de aardgasprijzen te hoog zijn om tegen acceptabele prijzen kunstmest te produceren. Met de Green Deal en de Farm2Fork-strategie heeft de EU heeft besloten voor 25% fossielvrije landbouw te gaan.
Een nieuw tijdperk kondigt zich aan. Den Haag en Brussel stellen de voedselketen voor een nieuwe uitdaging, met nieuwe normen waaraan de landbouw moet voldoen.

Dit artikel afdrukken