Op 17 november 2014 werd in een auditorium van Wageningen University het boek Het hongerige brein van Frank van Berkum ten doop gehouden. Het is Dr. Franks laatste boek, vol wijsheid en ervaringen uit zijn praktijk als internist en obesitasbehandelaar. Het eerste exemplaar werd overhandigd aan Louise Fresco, uitgever Mai Spijkers hield een praatje en Frank zelf gaf een lezing.

Ik sprak na afloop (weer eens) met Spijkers, uitgever en eigenaar van Prometheus. “Als je een goed idee hebt voor een boek, hoor ik het graag,” zei hij. Na enig nadenken had ik dat en stuurde hem na nog een afspraak op zijn quantoir een mooi plan voor een boek: De Voedselpoortwachter – wie bepaalt wat wij eten?.

Dat boek is er nooit gekomen, dat moet meteen vermeld worden. Enige tijd na indiening bij Prometheus stuurde Mai een mailtje terug: sorry, “Er is te veel”. Nooit te veel boeken, dacht ik, maar misschien wel te veel boeken over voeding en gezondheid waar allemaal zo’n beetje hetzelfde in staat.

Gatekeeper
Een boek leverde het niet op, wel veel gedachten en nog meer onbeantwoorde vragen, want echt diepgravende research naar de vraag ‘wie bepaalt wat wij eten’ heb ik niet gedaan. Die vraag is urgent geworden in de rest van het decennium sinds we op Dr. Franks boek proostten. Met de roep om veranderingen in het voedselsysteem rijst ook de vraag wie er verantwoordelijk (moet) zijn voor het systeem zoals dat nu in elkaar zit en dat kennelijk niet voldoet. Moet er meer gecontroleerd, bewaakt en gekozen worden?

‘Voedselpoortwachter’ is de vertaling van het begrip ‘nutritional gatekeeper’, dat tachtig jaar geleden werd geïntroduceerd in Amerikaans onderzoek naar de ‘kanalen’ die voeding aflegt van producent naar consument. Traditioneel was moeder-de-vrouw de belangrijkste schakel, de poortwachter in het gezin. Niet alleen deed zij de boodschappen, waarbij zij de keuze maakte voor de voeding, maar ook bereidde ze de maaltijden en bepaalde daarmee de kwaliteit van de voeding van het gezin.

Dat model werkt niet meer vandaag de dag, om het zachtjes uit te drukken. Natuurlijk zijn er nog huishoudens waarin de voedselvoorziening via deze traditionele stappen verloopt, en best veel ook nog wel, maar mannen - ik zei de gek - kopen en koken ook het dagelijkse eten. Een andere verdeling van de taken over familieleden, vrienden, buren en andere hulpen in de huishouding kan ook tot een goed proces van poortwachten leiden uiteraard. Moeder 2.0.

De Amerikaanse onderzoeker Brian Wansink (die in diskrediet is geraakt door geknoei met zijn onderzoeksdata), hanteerde het begrip ook en definieerde het aldus: ‘De Nutritional Gatekeeper is de persoon die het meeste voedsel in het huishouden koopt en bereidt. Door het gedrag van deze persoon te veranderen, verandert het gedrag van het hele huishouden.’ In 2009 besteedde The New York Times aandacht aan zijn werk en lichtte er een mooi voorbeeld uit van hoe kleine, onopvallende veranderingen het aantal calorieën in de voeding ongemerkt kan doen toenemen. In de editie uit 1936 van een populair kookboek (The Joy of Cooking) bevatten de recepten gemiddeld 44 procent minder calorieën dan die uit 2006. Een kookboekenschrijver is ook een poortwachter.

‘Voedselpoortwachter’ is de vertaling van het begrip ‘nutritional gatekeeper’
Verantwoordelijkheid
Het zal duidelijk zijn dat er veel veranderd is aan het gedrag, de kanalen, de soorten voeding en de taakverdeling. Ruimer opgevat, zoals ik het voor ogen had voor mijn boek, past het begrip voedselpoortwachter op iedereen en iedere instantie die in de hele keten van productie tot consumptie een beslissing neemt, en daardoor verantwoordelijkheid draagt, over de doorgifte naar de volgende persoon of instantie.

Vroeger was dat de boer, die zijn producten naar de markt bracht of verkocht aan een tussenhandelaar, die het leverde aan een winkel, waar die moeders het kochten. Een duidelijk pad van toegevoegde waarde ook, want de markt is overzichtelijk. Hoe liggen de verhoudingen tussen die kanalen nu? Wie heeft de economische macht? De industrie, de tussenhandel of de supermarkt? Er zal vast veel variatie en fluctuatie in de verhoudingen zitten.

De handel wordt bepaald door vraag en aanbod - eerste klas middelbare school - maar dat is geen natuurverschijnsel met vaste wetten. Hoe het werkt is een actuele kwestie geworden door de discussie over graaiflatie. De supermarkten krijgen de schuld van de hoge prijzen en zouden misbruik hebben gemaakt van de geldontwaarding en verstoring van de keten door corona en oorlog.

In Frankrijk werden de supers verplicht hun winstmarges te verkleinen. Dat is een prima geste naar de consument, maar zo simpel lijkt het niet te liggen. Het beeld is verwarrend. Waar wordt het geld dan wel verdiend? De supers klagen altijd al steen en been over de geringe marges, maar echt armoede lijden de bedrijven niet, te oordelen naar de jaarwinsten en het uiterlijk vertoon van de glimmende nieuwe vestigingen. Eén ding is zeker: de aandeelhouders krijgen elk jaar gewoon de volle mep uitbetaald.

Wat ik wel weet is dat de leus ‘geen boeren, geen eten’ een van de vele simplistische BBB-leugens is
BBB-leugen
Veel meer weet ik er ook niet van, de internationale handel in voedsel en grondstoffen is voor mij een black box en als erover gesproken wordt in termen van ‘nutriëntenstromen’ (zoals Dick Veerman doet) haak ik af. Als ik een stuk lees over ‘de onvermijdelijke hervorming van de industrielandbouw’ van Marcia Luyten in de Volkskrant, waarin met geen woord over het internationale karakter van de handel wordt gerept, dan denk ik: mevrouw Luyten, u weet niet waarover u het heeft.

Wat ik wel weet is dat de leus ‘geen boeren, geen eten’ een van de vele simplistische BBB-leugens is. Als ik aardappelen uit Israël kan kopen voor dezelfde prijs, mag van mij het areaal Frieslanders weer teruggeven worden aan de natuur of verkocht aan Dura Vermeer. Dat is een andere discussie, maar niet een heel andere discussie. Nederland als exportland heeft een heel grote rol aan de poorten van de voedselverdeling. Maar bij het invullen van die rol wordt niet gevraagd naar de morele opvattingen van de producenten en handelaren.

De industrie maakt wat er gevraagd wordt en heeft niet tot taak de consument op te voeden. Er zijn regels voor voedselveiligheid, maar er is geen voedselpoortwachter die het aanbod kan sturen. Marketing stuurt de vraag. Alles is marketing, zegt de cynicus. Modes, hypes, imago: je kan alles verkopen als je de klant maar goed opwarmt. Mijn zoon kocht twee witte T-shirts met op de borst piepkleine zwarte logootjes die hij van het schoolplein of TikTok kende. De een kostte €45, de andere €65. Van zijn eigen geld, maar ik ben er nog niet overheen. (Hij is ook gek op pokébowls, dat is dan wel weer gezond).

Met voeding is het niet anders. Diepvriespizza’s kan je met enige moeite nog als avondeten zien, maar Red Bull, dat bewezen giftig is? Onze nationale held Max Verstappen is een reclamezuil die zelf geen belasting betaalt, dat vindt iedereen prima. Langs de circuits waarop hij rijdt adverteert Heineken met bier. ‘0,0’ staat er achter, als smoes, want dan mag het wel. McDonald’s heeft een zoete commercial met twee verliefde jongedames op een waddeneiland. Een zakje fast food bezegelt hun prille relatie. Bekende acteurs verdienen tonnen per jaar bij in gezellige supermarktcommercials waar plakjes komkommer op de boterhammen gelegd worden. Maar elke week is er wel een ander frisdrank-, chips- of biermerk in de aanbieding.

Aansmeren
Moderne marketing richt zich op het opbouwen van een band met de klant, meer dan hem listig iets aansmeren. Met Frank Lammers (oenige Jumbo-papa) en Randy Fokke (olijke AH-bedrijfsleider) lukt dat uitstekend. Op social media, waar veel van het budget wordt uitgegeven dat voorheen naar andere media ging, is de relatie minder eenduidig, want die media vragen wel om een slinkse benadering. Met influencers en stiekem wel gericht op kinderen.

Over dat laatste kan je verontwaardigd zijn, want kinderen zijn immers goedgelovig en beïnvloedbaar (T-shirts, fastfood). Social media marketing heeft al een aparte studierichting opgeleverd, waardoor je dit soort dingen kan lezen over de relatie met de consument: ‘Relateren: deze vorm van perceptie overstijgt intieme en menselijke gevoelens en verbindt het ideale zelf met anderen of culturen. Na deze ervaring wordt er een relatie gevormd tussen de persoon en een grotere sociale structuur.’ Dat klinkt bijna als metafysica: heel eng.

Bij dergelijke gelaagde, intensieve interacties steekt mijn ouderwetse idee van de voedselpoortwachter magertjes af. Waar moet die zijn werk doen? Wettelijke inperkingen van de vrijheid van marketeers op het internet, in de vorm van leeftijdgrenzen en verbod op stripfiguurtjes, leveren niet alleen weinig op, maar worden ook gemakkelijk omzeild. Influencers moeten sinds kort eerlijk zeggen dat ze de bejubelde producten betaald aanprijzen. Maar maakt dat iets uit? Ik heb geen idee wat de draagwijdte van de Reclame Codecommissie is.

Het begrip ‘voedselpoortwachter’ heeft een nieuwe invulling gekregen in het streven naar verduurzaming van het systeem: choice editing
Verduurzaming
Het begrip ‘voedselpoortwachter’ heeft een nieuwe invulling gekregen in het streven naar verduurzaming van het systeem: choice editing, aangepaste keuze. Nul procent BTW op groente en fruit, dat is choice editing. Het AH-programma ‘Koe, Natuur & Boer’ kan je een edited choice noemen. Maar die melk staat tussen de gewone en de biomelk in en is dus eigenlijk meer een extra keuze. Het hele aanbod van Eko Plaza en Odin is een edited choice: alles bio.

Ruim genomen is het de bewuste inspanning om ongezonde producten te ontmoedigen en de aankoop van gezonde, duurzame producten te bevorderen. Dat kan met belastingen, overheidscampagnes, onderwijs, kleurtjes op verpakkingen, kortom alle mogelijke middelen om niet alleen de bewustwording over maar ook de toegankelijkheid tot betere producten te vergroten.

Als de vraag naar duurzamere producten groeit, zal de industrie adequaat reageren. Vegan en lokaal geproduceerde voeding, met een kleinere foodprint, zal fabrikanten nopen grondstoffen uit de buurt te gebruiken, en niet te importeren. Dat heeft weer consequenties voor die ondoorgrondelijk nutriëntenstromen, die zo onvoorspelbaar lijken als El Niño.

Idealiter zou er toch een soort monitoringsysteem moeten ontstaan, een vorm van macht van de consument, alle initiatieven bundelend, dat terugwerkt in alle kanalen van de voedselproductie- en handel. De afgedwongen of vrijwillige aanpassingen aan de nieuwe eisen van de choice editing zou dan –‘organisch’ zou ik bijna zeggen – leiden tot verbeteringen in de productie en fabricage van het voedsel. Dat is de geest van de voedselpoortwachter.

Daar zou iemand eens een boek over moeten schrijven.

Huib Stam stopt na vandaag zijn geregelde bijdragen aan Foodlog. In zijn juli-bijdragen besprak hij een aantal belangrijke onderwerpen van zijn keuze en oppert hij richtingen waarin wat hem betreft verder gedacht en gehandeld moet worden.

Dit artikel afdrukken