De prijs die Nederlandse boeren krijgen wordt niet door Nederlandse supermarkten bepaald, maar door buitenlandse markten waar onze boeren het leeuwendeel (doorgaans minimaal 70%) van hun product afzetten. Daar moet het concurreren met goedkoper en inmiddels even goed product. Onderwijl stelt de Nederlandse overheid eisen die het Nederlandse boerenproduct nog wat duurder maken. Het kabinet lijkt te denken dat het die kostenverhoging kan compenseren, als het de marktkrachten een beetje corrigeert.

Vier ingrediënten spelen de hoofdrol in de eerlijke-prijzen-voor-boeren strategie waarmee de minister Nederlandse agariërs perspectief wil bieden.

Commissie Verdienvermogen
Ten eerste moet de nieuwe Commissie Verdienvermogen onder leiding van de scheidende gedeputeerde Hester Maij uit Overijssel een advies uitbrengen over manieren waarop boeren de investeringen die zij moeten doen in kringlooplandbouw kunnen terugverdienen. Dat zal, schrijft het ministerie, alleen slagen als de boer economisch gezond kan werken.

Wat daarvoor nodig is, van wie, welke randvoorwaarden daarvoor gecreëerd of veranderd moeten worden, moet Maij onderzoeken. Uiteraard sturen vraag en aanbod uiteindelijk links- of rechtsom de prijs. Product waar te veel van is, heeft voor consumenten geen toegevoegde waarde en zal geen kostendekkende prijs krijgen. De markt moet de investeringen opbrengen, schreef de minister vorige week, zodat Maij's commissie niet aan de wetten van de markt zal ontkomen.

Dat betekent dat boeren net als echte ondernemers iets zullen moeten verzinnen dat consumenten willen en dat tot waarde kan worden gebracht. Denk bijvoorbeeld aan een keten waarin van in Nederland geteeld graan brood wordt ontwikkeld, gebakken en gemarket. Hollands brood van Hollands graan is er namelijk nauwelijks, maar kan met moderne rassen wel degelijk tot een onderscheidende propositie leiden waarmee een bakkerij, een supermarkt en diens klanten kan verleiden. Een boer, een marketeer en een productontwikkelaar zouden er iets prachtigs van kunnen maken. Wie bovendien denkt aan de glyfosaatangst van consumenten, zou een Hollands glyfosaatvrij broodje kunnen gaan bakken. Maar is het de taak van een Commissie om met zulke commerciële proposities te komen? Zo niet, dan is het advies even voorspelbaar als terecht: zoek de gaten in de markt en ontwikkel het product, positioneer het via de juiste keten en ontwikkel de klant. Nog korter: onderneem!

Dick Veerman
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


Het nieuwe beleid is een daarom voorlopig een ontkenning van de markt die zijn werk gewoon zal doen. Schadelijk is het feit dat boeren er valse hoop aan kunnen ontlenen en daardoor het pakken van hun werkelijke kansen nog weer langer uitstellen
Oneerlijke handelspraktijken
Ten tweede is er na 10 jaar bakkeleien sinds kort Europese wetgeving over oneerlijke handelspraktijken. Die moet de boer en zelfs de levensmiddelenfabrikant beschermen tegen de veronderstelde macht van hun grote afnemers. Voor ons land is zulke wetgeving nieuw. Het is in ons zeer liberale land zelfs uniek dat een deelsector van de economie wordt gereguleerd.

De verschillende lidstaten van de EU hadden verschillende wetgevingen op het gebied van handelsrelaties en prijzen. Dat leidde tot een ingewikkelde discussie in Brussel. Veel landen wilden het liefst vasthouden aan hun eigen wetgeving en zagen in de Brusselse bemoeienis zelfs een poging tot liberalisering. Eurocommissaris voor Landbouw Phil Hogan benadrukt dan ook dat de Europese harmonisatie een minimumeis is; lidstaten mogen verdergaan.
Voor Nederland is het een ongekende vorm van ingrijpen, terwijl Hogans nadruk op eigen beschermende ruimte voor andere lidstaten juist een geruststelling is. Zo heeft Frankrijk een systeem van verticale prijsbinding waar we in Nederland ver vandaan blijven; het zou ook niet bij Nederland passen omdat ons land het bij buitenlandse eindafnemers van onze boeren zou moeten afdwingen.

In Nederland moet de onafhankelijke Stichting Geschillencommissies voor Beroep en Bedrijf in geval van boeren of bedrijven die zich benadeeld voelen, toetsen of er sprake is van 'oneerlijke handelspraktijken'. De uitspraken van de geschillencommissie zijn bindend.

Omnibusregeling
Ten derde moet de omnibusregeling het boeren mogelijk maken samen te werken en onderlinge afspraken te maken over de prijzen waartegen ze willen verkopen. Supermarktformules hebben daar nooit problemen mee gehad. Zo werken in ons land coöperaties - denk aan FrieslandCampina of Cono - al van oudsher. Oostbloklanden kunnen er het spook van een communistisch verleden in zien. In Nederland kunnen we er een gezonde vorm van samenwerking rond een gestandaardiseerd product in zien.

Agronutri-monitor
Ten vierde moet de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderzoek doen naar prijsvorming. Voor de derde keer zal de ACM een grootschalig onderzoek starten naar de waardeverdeling in de voedselketen. De 'Agronutri-monitor' moet volgens minister Schouten "meer inzicht geven in de prijsvorming van landbouwproducten in de praktijk".

Het is weinig aannemelijk dat er iets anders uit zal komen dan beide voorgaande keren. Als dat klopt, zal nog eens blijken, dat de verhoudingen niet zo scheef liggen als werd gedacht en dat agrarische productie, verwerking en distributie na aftrek van de kosten, grofweg allemaal iets kunnen verdienen als ze maar ondernemen. Ditmaal moet onderzocht worden of de nieuwste duurzaamheidseisen wel door de markt betaald worden. Dat zal de ACM niet doen tot op het niveau van alle verwerkingen van een grondstof, maar op basis van een simpele set handelstransacties vanaf het boerenerf naar handel en verwerkers.

In gesprek met het FD over gesubsidieerde beloningen voor klimaat-, biodiversiteits- en milieudoelen laat de minister precies zien waar de pijn in haar visie zit
Te veel productiecapaciteit zonder toegevoegde waarde
Zal het boeren helpen? Als ze niet kunnen ondernemen in een vrije markt, dan zal het hen geen hogere prijzen om hun kosten te dekken opleveren dan nu. In gesprek met het FD over gesubsidieerde beloningen voor klimaat-, biodiversiteits- en milieudoelen laat de minister precies zien waar de pijn in haar visie zit. "Geen enkele boer", zegt Schouten, "heeft uit vrije wil aan dit systeem meegedaan, maar ze konden niet anders. De prijzen daalden dus de productie moest omhoog."
Nee, ze maakten al te veel van hetzelfde en gingen nog meer van datzelfde maken. Dat helpt je van de regen in de drup. De productie had óf opnieuw ontworpen moeten worden voor een specifieke vraag die ontwikkeld had moeten worden óf verschoven moeten worden naar landen waar goedkoper geproduceerd kan worden.

Nu zit Nederland met te veel niet rendabel te krijgen productiecapaciteit die bij instandhouding nog minder rendabel zal worden als gevolg van hogere milieu- en klimaateisen. De Nederlandse supermarkten kunnen bovendien met hun beperkte aandeel in de verkopen die Nederlandse boeren nodig hebben, weinig voor hen doen.

Analist Dirk Mulder van ING Bank analyseerde die pijn gisteren op zijn LinkedIn-pagina in woorden die een samenvatting zijn van menige tekst hier uit de afgelopen 10 jaar:
Landbouwminister Schouten wil agrariërs te hulp schieten die zouden worden uitgeknepen door inkooporganisaties en supermarktketens. [...] Het valt mij op dat in deze discussie supermarkten iedere keer de zwarte piet toebedeeld krijgen, terwijl er sprake is van een keten met daarin onder meer transporteurs, distributiecentra, fabrikanten en tussenhandelaren.
Het is de primaire sector de afgelopen jaren onvoldoende gelukt toegevoegde waarde te bieden in de keten. Men heeft te veel focus gehad op schaalvergroting om kostenefficiënt te zijn. Aanbod in plaats van vraaggestuurd. En als er teveel aanbod is van hetzelfde, draait het om de prijs. [...]
De maatregelen leiden tot hogere inkoopprijzen voor supermarkten en dus ook tot hogere prijzen voor de consument. Dit is niet alleen schadelijk voor de consument maar ook voor Nederland als exportland.


De minister wil het beste voor haar boeren en heeft, zei ze afgelopen weekend in de Volkskrant, een groot plichtsbesef. Mogelijk vindt ze het verontrustend om het beest van de markt recht in zijn bek te kijken, en wil ze het daarom temmen.

Juist in het geval van ons land, met zijn afzetmarkt die voor ruim twee derde buiten Nederland ligt, is dat naïef. Het nieuwe beleid is daarom voorlopig nog een ontkenning van de markt die zijn werk gewoon zal doen. Schadelijk is het feit dat boeren er valse hoop aan kunnen ontlenen en daardoor het pakken van hun werkelijke kansen nog weer langer uitstellen.
Dit artikel afdrukken