Zo simpel kijkt iemand die snapt wat ondernemerschap betekent én opgroeide in een boerenomgeving.

Nederlandse boeren zijn kleine mkb'ers die in een land met aanzienlijk hogere dan gemiddelde en door regelgeving nog altijd sterk stijgende vestigingskosten overwegend 'gewoon melk', bieten voor 'gewoon suiker' en varkens 'voor gewoon worst' produceren. Je kunt op je klompen aanvoelen dat zoiets niet kan.

Daarom moeten boeren gaan ondernemen door waarde te creëren waar consumenten voor willen betalen.

Voorbeelden
Dat hoeft echt niet alleen door een dure niche op te zoeken. Daar zijn voorbeelden van. Zowel in niches als in grote volumes. Legkippenboer Ruud Zanders failleerde, leerde bij een stalbouwer hoe het anders kan en deed ervaring op met de Rondeelstallen. Uiteindelijk bouwde hij met commerciële compagnons zijn hippe eigen merkei Kipster. Van dat merk maakt hij straks een internationaal succes en dan gaat hij verdienen aan het copyright van de formule in het buitenland.

Champignonteler Jan Klerken van Scelta ging de doodgewoon gangbare champignons van zijn vader verwerken en heeft inmiddels een belangrijk deel van de wereldmarkt voor diepgevroren champignonschijfjes in handen. En voor boeren die niet zo sterk zijn in zelf ondernemen en liever goed zijn in het verzorgen van dieren en land maar wel willen samenwerken om onderscheid te maken, hebben Albert Heijn en A-ware het Beter voor zuivel-programma gemaakt.

Daar verdienen boeren prima mee: toen de melkprijs (vóór de logistiek-blokkades in het wereldvoedselsysteem als gevolg van Covid en de oorlog in Oekraïne) af boerenerf nog 35 eurocent was, kregen al ze 5 cent per liter meer; dat is ruim 14% extra. Dat schoof bij 108 koeien (het gemiddelde melkveebedrijf in Nederland) en een melkgift van 9.500 liter (de gemiddelde melkgift) ruim €50.000 extra naar een boer die in 2021 gemiddeld €35.000 verdiende. Een inkomensstijging dus van net onder modaal (€36.500) naar een ver boven-modaal inkomen.

Garstenveld blijkt gelijk te hebben. Als ze gaan ondernemen, kunnen boeren geld verdienen. En als ze dat niet kunnen dan kunnen ze in een keten geld verdienen. En als ze ook dat niet willen en niet kunnen ondernemen, dan kunnen ze beter stoppen en een baas zoeken. Dat moesten de kleine bakker en groenteboer ook die de winkels van hun ouders niet wisten te ontwikkelen.

Het kabinet ziet dat anders.

Het zinnetje
In het regeerakkoord van Rutte IV staat een zinnetje dat boeren een uitzonderingspositie geeft. We zetten de transitie in naar kringlooplandbouw met een goed verdienmodel, zodat boeren in staat gesteld en maatschappelijk gewaardeerd worden om de benodigde verandering te realiseren, waarbij jonge boeren toekomst krijgen. Daarbij verwachten we een niet-vrijblijvende bijdrage van banken, toeleveranciers, de verwerkende industrie en de ‘retail’.

Daar staat met zoveel woorden dat de fundamentele veranderingen die het kabinet wil doorvoeren op het gebied van de landbouw, mogelijk gemaakt moeten worden door de zakelijke partners van de boer in Nederland.

Dat is nogal wat, want Nederland heeft bij uitstek geen kringlooplandbouw. Nederland importeert veevoer om er mest van te maken en maakt kunstmest die we zelf gebruiken in hoogproductieve teelten en exporteren. De boerenproductie op Nederlandse grondgebied gaat voor percentages tussen 70 en meer dan 95% naar het buitenland. Daarvan blijft 80% op de interne EU-markt; de menselijke mest die daar weer uit resulteert, gaat volledig verloren voor onze landbouw en gaat ook niet terug naar de gebieden waar we soja of andere gewassen voor onze dierhouderij inkopen. Met kringlooplandbouw heeft het niets van doen. Die kan ook niet bestaan rond wat de Nederlandse landbouw is: een import-, verwerkings- en exportbedrijf met toeleveranciers in het buitenland en afnemers in weer andere buitenlanden. Alleen Vlaanderen komt in de buurt van onze landbouweconomie.

Internationale verwevenheid
Die import en export brengen een enorme internationale verwevenheid met zich mee die onmogelijk nationaal is op te lossen, zoals het zinnetje van het kabinet niettemin dicteert. Het betekent bovendien dat het wegvallen van belangrijke delen van die productie ergens anders onmiddellijk zal moeten worden opgepakt. Maar niet in Nederland. Dat zal gebeuren tegen standaard EU en nationale eisen elders, terwijl Nederland die natuureisen nou juist fors wil verhogen. Maar het tegenovergestelde zal gebeuren.

Toch moeten en zullen supermarkten, banken, verwerkers en de toeleverende keten die inmiddels door pers en politiek voor regelrechte boeven worden uitgemaakt, betalen voor een complex van bedrijvigheid waar het nieuwe kabinet plots het tafelkleed onder wegtrekt. Die visie is inmiddels wijdverspreid in de samenleving en maakt het er voor bedrijven niet gezelliger op.

Rabobank bekent een beetje schuld, weigert daar echter voor te betalen en heeft in ieder geval de financiering aan boeren rond natuurgebieden alvast grotendeels stopgezet.
De toeleveranciers van de boeren verwijten het kabinet dat het niet zomaar even het tafelkleed onder het im- en export boerenlandschap kan wegtrekken zonder dat alles omvalt, terwijl de natuur en het klimaat er geen cent beter van worden. Elders zullen klimaat en milieu en biodiversiteit er immers vaker slechter dan beter van worden. Dat levert een netto natuurverlies op in plaats van winst. Supermarkten en verwerkers gaven het kabinet te verstaan geen partij te zijn in wat zich inmiddels heeft ontwikkeld tot een diepgaand conflict met de nodige emoties over en weer.

Hier gaat iets gierend mis.

De middag ademde een onwezenlijke sfeer voor wie dagelijks in de media leest dat de agro-industrie, levensmiddelenmakers en supermarkten boeren uitknijpen en de natuur en het klimaat verwoesten
Duurzaam bovenaan het lijstje
De commerciële partijen voelen zich miskend, want ze werken hard aan natuur en klimaat. Op een warme dag begin juli sprak Albert Heijns CEO Marit van Egmond tijdens een congres ter ere van het 25-jarige bestaan van de EFMI Business School. Met groeiende bevlogenheid liet ze in een half uur niet alleen weten maar ook voelen na te denken over hoe het verder moet met de wereld. Of we niet minder maar beter moeten gaan consumeren en hoe zij en haar aandeelhouders kunnen bijdragen om meer geluk te bewerkstelligen.

Ook ex-baas Paul Polman van Unilever was per beeldverbinding van de partij. Hij bleek zijn gedachten al volledig op een rijtje te hebben. Hij lichtte zijn boek Net Positive toe en ging in de hoogst mogelijke versnelling en zonder tegenspraak te dulden nog eens flink over de boodschap van Van Egmond heen. Grote bedrijven met het hart op de juiste plaats gaan de wereld redden van de klimaatramp. Zij kunnen meer voor elkaar krijgen dan politici die geen echte besluiten durven te nemen, was de kern van zijn met vele cijfers doorspekte boodschap. Polman schuwde niet mensen in verantwoordelijke posities maar te weinig besluitvaardigheid van heel lelijke etiketten te voorzien. Van Egmond was overtuigender in haar betrokken menselijkheid.

De middag ademde een onwezenlijke sfeer voor wie dagelijks in de media leest dat de agro-industrie, levensmiddelenmakers en supermarkten boeren uitknijpen en de natuur en het klimaat verwoesten. In het door de congresgangers goed gevulde theater De Flint in Amersfoort was een belangrijk deel van de Nederlandse food business aanwezig. Onder leiding van de doorgaans vooral vanuit de economie redenerende moderator prof. Laurens Sloot, de oprichter van de EFMI-business school, bleken klimaat, biodiversiteit, dierenwelzijn, fairness en gezondheid bovenaan het lijstje van prioriteiten van de zakelijke voedselketen te zijn beland.

Menig politicus en journalist en opiniemaker zou zijn oren niet hebben geloofd. Helaas waren ze er niet bij.

Ministerie werkte over, minister nam ontslag
Het ministerie van landbouw werkte afgelopen zomer over om perspectief te bedenken voor boeren. Met name supermarkten en levensmiddelenproducenten moeten 'niet vrijblijvend' - ze krijgen dus straf als ze dat niet doen - iets bedenken om voor vermoedelijk (precieze getallen zijn niet berekend) circa €11 miljard aan grondstoffen een hogere prijs te kunnen betalen. Plat gezegd, zij moeten extra waarde bedenken en maken die wij consumenten willen betalen voor eindproducten die zij maken en die voornamelijk in het buitenland worden gegeten en uitgepoept. Met dat geld moet de boer aan kringlooplandbouw kunnen gaan doen zodat de sanering en ombouw van de agrarische sector hier kan worden gefinancierd.
Bedrijven verduurzamen hun wereldwijde toeleveringsketens en leveren daarmee een netto bijdrage aan het terugdringen van de negatieve effecten van de landbouw op natuur en klimaat. Regeringen kijken naar wat zij kunnen doen binnen hun nationale grenzen waardoor ze het gevaar lopen flink te suboptimaliseren
Leuk, zeggen de supers en verwerkers terug: waar denkt u dat wij met onze verduurzaming mee bezig zijn? Op die vraag hadden de minister en zijn ambtenaren geen antwoord. Minister Henk Staghouwer besloot vermoedelijk daarom af te treden.

Voor Nederland geldt: denk over de grenzen
In een boeiend betoog legde onlangs Hans Blonk, Nederlands internationale grootmeester van de Life Cycle Analysis, uit waar het misgaat tussen overheid en bedrijven. Bedrijven die levensmiddelen produceren en verkopen verduurzamen hun wereldwijde toeleveringsketens en leveren daarmee een echte netto bijdrage aan het terugdringen van de negatieve effecten van de landbouw op natuur en klimaat. Regeringen kijken naar wat zij kunnen doen binnen hun nationale grenzen. Met dat nationalisme lopen ze het gevaar flink te suboptimaliseren. Bijvoorbeeld door kwalijke activiteiten te staken en de vervangende producten weer van elders te importeren. Daar worden ze niet zelden klimaat- en milieuschadelijker gemaakt, onder meer omdat ze van een gaseconomie naar een kolenregime verhuizen of omdat de landbouw er netto aanmerkelijk meer grond, water en mest per ton product kost.

Ook zonder Staghouwer is het kabinet bezig dat effect te versterken en de partijen die de voedselproductie verduurzamen flink voor de schenen te schoppen. Met dat laatste is niets mis mee als er goede redenen zijn dat ze zich zouden moeten schamen.

Maar die middag in Amersfoort laat wat anders zien. Voor zover bedrijven zich ooit alleen om hun winst bekommerden, hebben ze hun leven gebeterd. Wat Rutte IV de wereld laat zien, is dat vergaand klimaat- en milieuactivisme absurde effecten krijgt als je nationale maatregelen per se met ijzeren hand wilt doorvoeren in een internationaal opererend land.
De internationale gemeenschap van bedrijven kan meer dan regeringen, maar de Nederlandse heeft daar geen boodschap aan en denkt niet na over manieren om een effectievere rol te pakken.

Ook zonder Staghouwer is het kabinet bezig de partijen die de voedselproductie verduurzamen flink voor de schenen te schoppen. Daar is niets mis mee als er goede redenen zijn dat ze zich zouden moeten schamen. Maar daar lijkt het niet op
Ik zeg niet dat regeringen verduurzaming domweg aan bedrijven over moeten laten. Ik zeg wel dat de nationale regeringen zich moeten realiseren dat ze bedrijven nodig hebben en dat die een stabielere, logischere en meer netto aan duurzaamheidswinst werkende factor zijn dan zij.

En ik zou nog iets willen zeggen. Het is geen toeval dat het bureau van Blonk, die de verwevenheid van internationale ketens in kaart brengt en helpt verduurzamen, in Nederland gevestigd is. Nederland is het foodagriland dat grondstoffen naar zijn hol sleept, ze verwerkt (ook via dieren) en dan weer exporteert. Dat betekent dat een belangrijk deel van footprint zowel ecologisch als klimatologisch ergens anders ligt. Het neemt niet weg dat ons land ook zelf voor de uitdaging staat om lokale emissies en natuurkwaliteit op de gewenste niveau's te krijgen. We moeten niet het smeerputje van de internationale gemeenschap willen zijn omdat onze boeren zulke goede verwerkers zijn; dat spreekt voor zich.

Even pauze
Onze boeren zijn behoorlijk goed in efficiency, maar doen dat zo intensief en verwerkend op een klein kluitje dat het milieuconsequenties heeft die lokaal opgelost moeten worden. Dat kan onder meer door henzelf (door start-ups of overnames), hun kapitaal (door participaties) en hun coachende kennis (via betaalde advisering) of combinaties daarvan over de EU te verspreiden. Daar produceren ze immers voor. Omdat onze beleidsmakers dat lijken te vergeten, bewust of onbewust, is er geen denkraam ontstaan om de oplossing ook internationaal te zoeken.

Voor zover Den Haag op dit moment nog helder kan denken, zouden de ministeries en politiek er goed aan doen even pauze te nemen om rustig te kunnen nadenken hoe Nederland effectief kan bijdragen aan klimaat, milieu en natuur door zijn unieke positie in het Internationale voedselsysteem. Dat zou de discussie minder verward en absurd kunnen maken en de relaties weer een beetje kunnen herstellen. Een beetje maar, want de geest tegen 'de boeven van de industrie en supermarkten' is behoorlijk uit de fles en zal dat in de media en politiek ook nog wel een tijdje blijven.
Dit artikel afdrukken