Een kapstok om eindelijk weer eens een 'groot verhaal' aan op te hangen - daar was ik al even naar op zoek. Nu hagelt het in voedseltransitieland natuurlijk voortdurend kapstokken; urgente materie en heftige polemiek trekken dagelijks nieuwe deelnemers, en we kauwen met elkaar wat af. Dat is goed, want iedereen eet. Maar het gesprek gaat nog zo moeizaam, terwijl het zo broodnodig is. Het gaat niet makkelijk, denk ik, door een laag van taalverwarring. We zijn aanbeland in een tijd waarin we ons denken moeten herijken en herkaderen, resetten en reframen. Daar wil ik op Foodlog een aantal essays aan wijden.

Bouwstenen van ons denken
Woorden zijn niet zomaar de klanken die we uitspreken, het zijn de bouwstenen van ons denken en de tags voor onze betekenissen. Wonderbaarlijk genoeg lijken we elkaar in de praktijk best aardig te begrijpen, want welke betekenis er precies tussen andermans oren zit weten we uiteindelijk nooit van elkaar. Althans niet direct; onderling herleiden we betekenissen vooral indirect af, uit elkaars acties en reacties. Van de betekenis tussen onze eigen oren zijn we ons trouwens vaak net zo min bewust. We kennen de tags wel en gebruiken die voortdurend, maar wat er precies zit in het pakketje met die naam?? Bodem. Handig om op te lopen, een onbeduidende hulpbron, een organisme om voor te zorgen? Landbouw. Wedden dat daar ergens een beeld aanhangt van een trekker op een platte akker? Voedsel. Iets waar je voor moet blijven vechten, iets om juist te weerstaan, iets om aan deskundigen over te laten? Gewas. Meestal een éénjarige plantensoort uit een beperkt arsenaal dat we herkennen in de supermarkt. Mest. Ooit viel het direct uit een dier op de grond en was eraan te verdienen, nu blijkt het vooral een problematisch goedje waar grof geld bij moet. En wat betreft allerlei andere goedjes; noemen we die 'gewasbeschermingsmiddelen', of noemen we die 'gif'?

Betekenis in context
Betekenis verschijnt altijd in een context. Wat we met het ene woord bedoelen, hangt weer af van andere woorden, en van de manier waarop we die met elkaar combineren. Dus als er in zo'n veld wat gaat verschuiven, waar hebben we het dan nog over? Bodem. Landbouw. Voedsel. Boer. Consument. Ecologie. Economie. Klimaat. Vee. Voer. Mest. Melk. Vlees. Gras. Gewas. Kringloop. Kwaliteit. Productie. Gezondheid. Duurzaamheid. Verdienmodel. Ondernemerschap. Coöperatie. Kunnen we iets nieuws zeggen met ingesleten woorden? Kunnen we zonder ons vertrouwde gereedschap überhaupt wel iets nieuws denken, laat staan een nieuwe ordening voor ons zien? Omdenken? Bakens verzetten? Ja, prikkelend, maar hoe doe je dat? En waar begin je?

Nationale Voedseltop
Dat van die kapstok kwam eind januari goed in de vorm van de Nationale Voedseltop. Ik was erbij. Officieel had ik het daarmee geschopt tot één van de 150 'belangrijkste beslissers' inzake ons voedselsysteem, en dat was op zich al knap verontrustend. Zet ik bloed, zweet en tranen in voor een systeem waarin iedereen-die-eet de hoofdbeslisser is, beland ik in een topgezelschap waarin dat vermoedelijk als kletskoek zou klinken. Maar mijn smoes was goed, want met vier companen waagde ik mij in dit exclusieve publiek met een inclusieve boodschap. In een hippe Haagse loft met een kas op het dak, waar we binnenkwamen door een gang vol paprika's en ananassen, en verder nogal voorspelbaar omgeven waren door die aaibare, ambachtelijk in elkaar gespijkerde houten fruitkistjes vol keurige appels en kolen. Ongetwijfeld voor de feel good, want met ananassen krijgen wij hier volgens mij de wereld niet gevoed, en over heuse appels en kolen, zó van het land en echter dan echt, ging het verder eigenlijk niet. Maar als trekkers van een groeiende onderop-beweging rond de 'natuurinclusieve landbouw' hadden wij zowaar een moment kunnen bedingen voor het aanbieden van een kersvers manifest aan Staatssecretaris van Dam. En daar stonden wij dan, middenin het officiële voedselverhaal, vol officiële woorden. Met recht een referentiekader. En het bleek glashelder. Dit neusje van de zalm was een tot op de minuut geregisseerd feestje voor de aanbod-industrie. Compleet met een enkel contrapunt. Zo was daar als nieuwe, niet onbelangrijk lijkende soort speler uit het maatschappelijke middenveld de Vereniging Arts en Voeding, waarin men zich nogal wat afvraagt over de grondslagen van het systeem. Ook ons eigen dansje ging goed; Van Dam liet merken van 'natuurinclusief' wel pap te lusten. En toen kreeg het feestje natuurlijk een slot en mocht iedereen vrij stemmen op het officiële Voedseltop-manifest. De teller bleef hangen op 87% en dat betekende dus groen licht voor business-as-usual. Met iets meer variatie - omdat er toch wel een paar 'dingetjes' bleken te zijn.

Blijkbaar moeten we onze hoop voor deze red hot vraagstukken vooral vestigen op hun nieuwe apps: daarmee kunnen boeren hun vee of gewassen beter monitoren, en supermarktklanten hun boodschappen traceren
'Dingetjes'
'As usual', dat is blijkbaar 1) dat ons voedsel uit de fabriek komt. Dus toch. Dat ons voedselsysteem vrijwel geheel aanbodgestuurd is, dat de industrie bedenkt wat er aan goedkoops en gemakkelijks op het schap komt te liggen, en met een handjevol supermarktketens de idee van een vrije markt met ditto ondernemers logenstraft als een verzinsel. 'As usual' is 2) dat Wij, Nederland vorig jaar onze plaats als 2e agroexporteur ter wereld nog eens hebben versterkt en dat we onszelf zo ontzettend graag blijven vertellen dat dat iets te maken heeft met het voeden van de wereld. Terwijl we netto slechts 0,2 % van de wereldvoedselproductie op ons conto kunnen schrijven. Intussen geven we onszelf nog extra karmapunten vanwege al die kennis en agrotech die we erbij blijven exporteren. 'As usual' is 3) dat er zo een hoop geld wordt verdiend aan boeren maar niet door boeren, dat zij als groep meer slechtbetaalde uren maken dan wie ook, en dat hun voortdurend krimpende bestand een economische onvermijdelijkheid is - jammer maar helaas. Wat niet heel goed voor onze voedselzekerheid kan zijn. En 'as usual' is ook 4) dat wij ons als consumenten met groot naoorlogs succes hebben laten programmeren tot winkelkarretjes aan het eind van een lopende band, en dat ons desondanks nog steeds allerlei menselijks wordt toegedicht: wij zijn namelijk altijd wel weer te verleiden. Was dat tot nog toe vooral met zoet, zout en vet, nu wordt het blijkbaar allemaal anders, want voortaan worden wij vooral verleid met minder zoet, zout of vet.

Fransjan de Waard
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


Juichende beloften van voedselfabrieken over nog eens 5% minder suiker in hun aanbod. Ik neem maar aan dat dat ook geldt voor de suiker die zij zelf eerst in pindakaas, in worst en in olijven zijn gaan stoppen. En o ja, we moeten meer groente eten. Want dat er steeds meer kinderen zwaarlijvig opgroeien, dat is dus wel een dingetje. Net als voedselverspilling: een dingetje van zeker 30% van alle productie, waarvoor weer nieuwe end-of-pipe-verdienmodelletjes werden aangekondigd, zoals schappen voor 'misvormde' groente en fruit. Pleisters op de wond die er eerst door datzelfde vonnis van misvorming was geslagen. Nog een paar van die dingetjes: mondiale bodemdegradatie, aanzwellende weersextremen, kelderende biodiversiteit, leegrakende oceanen, groeiende drinkwaterschaarste, instortende ecosystemen, systemische pesticiden, leeglopend platteland, dumping op verre markten. Het ene nog urgenter dan het andere. Welke koers hadden de 150 belangrijkste beslissers hiertegen in hun wijsheid uitgestippeld? Blijkbaar moeten we onze hoop voor deze red hot vraagstukken vooral vestigen op hun nieuwe apps: daarmee kunnen boeren hun vee of gewassen beter monitoren, en supermarktklanten hun boodschappen traceren.

Pleisters plakken, daar zijn we goed in
Een Nieuw Paradigma
Ik druk me liever uit zonder dit soort ironie. Maar dat lukt me al een poos niet meer. Sorry. Ik ben van een club die tig jaar terug al riep dat het allemaal Echt Heel Anders moet, en dat heette toen ook al Een Nieuw Paradigma. Als toverwoord horen we dat nu gelukkig steeds vaker, ook op die top. Maar ja, moet ik dat daarom nu van iedereen maar geloven? Gebruiken we daar wel de goede woorden voor? En hebben we het dan over hetzelfde - en hoe zouden we dat van elkaar moeten weten? Vandaar ook die zoektocht naar een kapstok, naar bakens, naar de hoekstenen van het huidige paradigma - om daar maar eens te beginnen. Hebben we die wel grondig genoeg in beeld?

Pleisters plakken, daar zijn we goed in. Elke pleister een nieuwe industrie: zware machines als pleister voor mestmalaise, lichtere machines als pleister voor bodemverdichting, dure supplementen als pleister voor dalende voedingswaarden, zelfs biodiverse akkerranden als pleister voor grootschalige monoculturen. Ook aan een failliet systeem valt altijd wel wat te prutsen. Maar duurzame productiviteit van de levende bodem, multifunctioneel agrarisch landschap, de ecologische waarde van bos, bomen en struiken, de economie van polyculturen, de netto vastlegging van CO2, een post-fossiele agrosector, de keuzes van vrije voedselondernemers en volwassen consumenten: dáár liggen de winsten die we moeten zien te boeken. Dáár ligt ons huiswerk. En ons rendement. Ook zo'n woord. Wat betekent het echt? Daar werp ik graag de volgende keer licht op.
Dit artikel afdrukken