Onderzoek van Wageningen Economic Research wijst uit dat 10 tot 20% van de primaire producenten in de keten te maken heeft met handelspraktijken die zij als oneerlijk ervaren. Het gaat bijvoorbeeld om het kort van tevoren annuleren van een bestelling van bederfelijke producten of het eenzijdig en met terugwerkende kracht wijzigen van contracten. Dat veroorzaakt onzekerheid, heeft een negatieve invloed op innovatie en investeringen en het belemmert boeren, tuinders en vissers bij de ontwikkeling van hun bedrijf. Het verbod op oneerlijke handelspraktijken in de land- en tuinbouw geeft hen de mogelijkheid naar de rechter te stappen. De machtsverhoudingen in de keten en de afhankelijkheidsrelatie zouden er echter voor kunnen zorgen dat producenten terughoudend zijn om die mogelijkheid te gebruiken.

Om die reden neemt het kabinet maatregelen om de marktpositie van boeren en tuinders te versterken. Teneinde de ongelijke verhoudingen in de voedselketen recht te trekken, introduceren minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat een expliciet verbod op een aantal oneerlijke handelspraktijken in de land- en tuinbouwsector. Bij overtredingen kunnen zowel de rechter als de Autoriteit Consument en Markt (ACM) ingrijpen en sancties opleggen.

In aanvulling op het verbod op oneerlijke handelspraktijken geeft het kabinet boeren meer ruimte om zich te verenigen in verkoopcombinaties. Ook komt er een meldpunt waar agrarisch ondernemers vertrouwelijk vermeende misstanden kunnen aankaarten. De ACM gaat periodiek onderzoek doen naar prijsvorming en eventuele problemen in de sector.

Dat schrijft het ministerie van LNV. Het onderzoek van Wageningen Economic Research is hier te downloaden.

Exportafhankelijkheid
De slechte inkomenspositie van boer en tuinder is een voortdurend terugkerende discussie. Wie het in de Nederlandse context wil oplossen, moet rekening houden met het feit dat de productie van iedere gemiddelde boer en tuinder voor 70-80% wordt geëxporteerd als agrarische grondstof. Het product heeft geen bijzondere meerwaarde omdat dezelfde grondstof in de rest van Europa, de belangrijkste afzetmarkt voor onze boeren, eveneens en voor aantrekkelijke prijzen in ruime mate verkrijgbaar is.
Daarom adresseert het kabinet met de maatregelen het werkelijke vraagstuk niet: een ruim vrij aanbod in Europa en afhankelijkheid van buitenlandse markten waarover de Nederlandse overheid niets te zeggen heeft.

Dick Veerman
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


Wie boeren en tuinders belooft dat ze in zo'n situatie toch recht hebben op 'eerlijke' prijzen en dat recht ondersteund door de NVWA kunnen claimen, wekt valse verwachtingen en weerhoudt hen ervan ondernemerschap te ontwikkelen. Daardoor wordt de kern van het vraagstuk nog eens extra versterkt
Onderscheidende ketens
Daarentegen kan beleid gericht op ketenvorming vanuit gezamenlijk onderscheid leiden tot tevreden boeren met vertrouwen in de toekomst. De Franse regering ontwikkelt een dergelijk beleid. Ironisch genoeg ontwikkelt het zich in Nederland vanuit de marktomstandigheden waar het Nederlandse kabinet op wil ingrijpen via zijn Mededingingsautoriteit. Dat het kan werken, wordt in ons land zichtbaar via voorbeelden als de zuiveldeal van AH met melkveehouders en verwerker A-ware die in een gesloten keten voor de retailformule gaan werken. Algemeen opgelegde duurzaamheidsvoorwaarden zoals bijvoorbeeld PlanetProof zijn daarentegen commercieel-economisch ongunstig voor de sterk van export afhankelijke Nederlandse land- en tuinbouw. Recent besloot AH om ook die normering links te laten liggen en te kiezen voor eigen onderscheid op het groenten en fruitschap. Dat moeten supermarktformules ook wel in de strijd tegen de ingrijpende consolidatieslagen die in de markt plaatsvinden. Wie zich niet onderscheidt op de inhoud, kan zich alleen nog maar onderscheiden door lagere prijzen en zich verder uithollende marges. Boer en tuinder enerzijds en merkfabrikanten en retailformules anderzijds hebben dan ook een gezamenlijk belang om op inhoud onderscheidend te zijn door de vorming van eigen ketens.

Valse verwachtingen versterken de kern van het boerenvraagstuk
De belangrijkste oorzaak voor het steeds terugkerende boerenvraagstuk lijkt te zijn dat Nederland politiek en bestuurlijk onvoldoende geschoold is op het gebied van commerciële economie. In een vrije markt voor agrarische grondstoffen - de producten die het boerenerf verlaten voor ze verwerkt of verpakt worden - en een ruim aanbod zullen de aangekondigde maatregelen geen basis blijken voor een verbetering van de inkomenspositie van boer en tuinder in de keten. Niet kostendekkende prijzen zijn het gevolg van gebrek aan onderscheid, verwerkers en supermarkten die geen moeite hebben zich elders te bevoorraden en klanten die daar niet om morren. Wie boeren en tuinders belooft dat ze in zo'n situatie toch recht hebben op 'eerlijke' prijzen en dat recht ondersteund door de NVWA kunnen claimen, wekt valse verwachtingen en weerhoudt hen ervan ondernemerschap te ontwikkelen. Daardoor wordt de kern van het vraagstuk nog eens extra versterkt.

De afgekondigde maatregelen geven invulling aan de politieke belofte van Minister Schouten dat bovenwettelijke innovaties en productieverbeteringen beloond moeten worden. De belofte dat de Mededingswet wordt aangepast om 'oneigenlijke machtsverhoudingen in de keten te compenseren' maakt bovendien deel uit van het regeerakkoord van Rutte III.

Het wenkend perspectief van het PBL
Vandaag publiceerde het Planbureau voor de Leefomgeving een essay onder de titel Naar een wenkend perspectief in de landbouw. Het analyseert de gevolgen van de exportafhankelijkheid die Nederland die na WO II ontwikkelde. De infrastructuur rond boeren, hun toeleveranciers en afnemers is daar in zijn geheel op gericht, maar vastgelopen. Daarom is een koerswijziging nodig.

Het PBL schrijft: een koersverandering vraagt een gedeeld toekomstbeeld voor de Nederlandse landbouw. Hoe ons landschap en onze voedselvoorziening eruit moeten zien, en wat wij daarvoor overhebben, vergt politieke onderhandeling. Daarnaast moet de rol van de Rijksoverheid worden heroverwogen. De coördinatieproblemen bij een koersverandering zijn groot en vragen om een partij die de regie neemt en de samenwerking vorm kan geven. Ten slotte vergt een koerswijziging een nieuwe aanpak gericht op het ontwikkelen van andere verdienmodellen en het omgaan met verliezen.

Het essay bevat een opvallend slotpleidooi. Naar analogie van het energieakkoord zou een landbouwakkoord moeten worden gesloten. Dat zou primair binnen Nederland vorm moeten krijgen. Of het voorstel uitvoerbaar en realistisch is, zal blijken als het ministerie van Landbouw zou besluiten het te implementeren. Bij die gelegenheid zal naar voren komen dat de infrastructuur vanwege zijn grote buitenlandse afzetafhankelijkheid, nog amper Nederlands is. Het energieakkoord gaat over het gebruik en dus de inkoop van energie. Een landbouwakkoord gaat primair over de verkoop van producten in markten waar Nederland geen zeggenschap heeft.

Ons landbouwmodel is in de wereld uniek, omdat het gemodelleerd is naar de Nederlandse open haven economie. Het ontstond door een advies van de in 1886 ingestelde Landbouwcommissie, dat leidde tot het succesvolle Nederlandse intensieve landbouwmodel: een ruime en betaalbare oogst per hectare en dier. Dat model raakte verweven met een cluster van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten en logistieke en commerciële activiteiten in de binnen- en vooral buitenlandse voedselketen. Pas zo'n honderd jaar later, in de jaren tachtig van de vorige eeuw, begon het de eerste scheuren te vertonen. Die scheuren zijn inmiddels barsten geworden omdat het moeilijk bleek de productie-competenties van het op het buitenland gerichte model te herdefiniëren naar meer lokale toepassingen. Inmiddels zet het ministerie van LNV in op verkoop van kennis en kennisproducten voor lokale toepassing elders in de wereld; het realiseert zich dat de verkoop van grote volumes agrarische commodities van Nederlandse bodem economisch is vastgelopen. Onduidelijk blijft echter hoe Nederland die kennis kan blijven ontwikkelen bij de krimp die zowel de markt als het milieu dicteren.
Dit artikel afdrukken