Floor Ambrosius speurde op verzoek van Urgenda en Foodlog de afgelopen maanden naar de meest vooroplopende vormen van varkenshouderij. Ze vroeg boeren hoe ze hun dieren huisvesten en verzorgen en waarom wij hun vlees zouden moeten willen kopen. Uit die zoektocht kwamen zeven reeds commercieel verkrijgbare typen varkens naar voren die we hier graag aan u voorstellen.

Samen met u en drie kenners van zowel de reguliere als de alternatieve varkenshouderij in Nederland bespreken we hier welke concepten de lezers het meest aanspreken en waarom. Naast de zeven door ons voorgestelde concepten is er ruimte voor boeren die vinden dat ze ook voorop lopen op de markt. Zij kunnen zich direct in de reacties of via floor.ambrosius@urgenda.nl aanmelden. Mocht u boeren kennen waarvan u vindt dat ze in de proeverij thuis horen, laat het ons dan ook weten.
De kenners - Han Swinkels (HAS Den Bosch), Onno van Eijk (ex-WUR, thans Stichting Natuur & Milieu) en Ad Kemps (Coppens Diervoeders) - kiezen op 28 september op basis van de hier nader naar boven gekomen informatie drie tot vijf kandidaten voor de finale. Het aantal is afhankelijk van het aantal aanvullende aanmeldingen.

De finalisten worden in Houten geproefd door een ervaren smaakjury bestaande uit Jeroen Thijssen (voorzitter, culinair journalist voor o.m. dagblad Trouw), Robert Jeurissen (kok met een voorliefde voor varkensvlees, restaurant Coco Pazzo in Houten) en Johan van Uden (slager, slagerij Chateaubriand in Heemstede). Zij kiezen uit de beste varkens het lekkerste. Dat dier zullen we belonen met de titel ‘beste varken van Nederland’.

In de publieksproeverij die we parallel aan de juryproeverij verzorgen, kunnen ook minder gangbare en niet commercieel verkrijgbare varkens meedoen. Uit alle inzendingen kiest het publiek zijn lekkerste varken.

Achtergrond
Een paar feiten. Varkensvlees is het meest verkochte vlees in ons land. We eten per persoon gemiddeld een half varken per jaar. Dat staat tevens gelijk aan de helft van het vlees dat we consumeren.
Per jaar produceren de Nederlandse boeren zo’n 25 miljoen varkens, waarvan we er ruim 11 miljoen levend exporteren. De rest wordt hier geslacht. Van al het varkensvlees dat wij in Nederland consumeren, komt ongeveer een derde uit het buitenland. Volgens opgave van de voerfirma's bestaat ca. twintig tot dertig procent van het voer van de dieren uit voerimporten uit met name Zuid-Amerika die direct voor de dieren worden gedaan. Ca. zeventig tot tachtig procent van het voer is afkomstig uit reststromen van de akkerbouw en de humane voedselindustrie in ons deel van Europa.

Sandra van Kampen
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


De varkenssector staat sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw in het teken van efficiënte productie tegen de laagst mogelijke kosten. Dankzij onze gunstige ligging aan havens waarlangs de voedsel- en voerstromen Europa binnenkomen en worden verwerkt, groeide de sector snel en ging hij meer produceren dan we zelf eten.

Inmiddels is de keerzijde van die efficiencyfocus duidelijk geworden. Er wordt veel antibiotica gebruikt en we zijn komen te zitten met overschotten aan mest terwijl daar in andere delen van de wereld gebrek aan is. Er is maatschappelijke weerstand tegen megastallen die buiten de proporties van het landschap en zijn bewoning zijn gegroeid. De boeren produceren zoveel dat ze amper nog geld kunnen verdienen, terwijl hun kosten sneller stijgen dan hun opbrengsten. Niettemin proberen ze toch door te groeien in de hoop hun kostprijs per varken te kunnen verlagen en zo de moordende concurrentie en stijgende kosten van milieumaatregelen voor te blijven.
Om het kort samen te vatten: de marges op varkensvlees zijn minimaal, geld voor innovaties ontbreekt.

Toch zien – vaak kleine – innovatoren kans tegen de stroom in te roeien en het ánders te doen. Ieder probeert op zijn eigen manier duurzaam te werken en daarover transparant te zijn. Consumenten moeten kunnen checken wat er op het bedrijf en met de dieren gebeurt. Veel boeren werken aan het sluiten van kringlopen door eigen voer te telen en samen te werken met akkerbouwers uit de regio. Ook werken ze met mestverwerkingsinstallaties. Ze gebruiken verrassend weinig antibiotica. Smaak en kwaliteit door gebruik van andere rassen zijn eerder regel dan uitzondering. Transparantie, samenwerking in de keten door nieuwe concepten en merken, en beleving lijken de nieuwe sleutelwoorden.

De kandidaten voor de titel 'Beste varken van Nederland' (en nogmaals: uw aanvullende nominaties zijn welkom):

Het Beemsterlant Varken
Arie-Jan en Yvonne van der Mark hebben een gesloten bedrijf met ongeveer 220 zeugen en plek voor 1200 vleesvarkens midden in de Noord-Hollandse Beemster. Zij werken samen met akkerbouwers uit de Beemster en de CONO kaasfabriek voor de samenstelling van het voer (50-60%). De mest wordt bij dezelfde akkerbouwers afgezet. De varkens groeien op zonder antibiotica en hebben een zichtstal die open is voor het publiek. Je kunt de stal met zeugen op stro zien en de vleesvarkensstal (niet de volwassen vleesvarkens). Beemsterlant gaat voor een regionale keten: slagers, voerfabrikant en akkerbouwers komen allemaal uit de buurt.

Krull – De wroetstal
Krull bestaat uit Stichting Maatschappelijk Bewuster Varkensvlees en het merk Krull. Er zijn vier boeren die produceren onder Krull. Gezamenlijk hebben zij plek voor meer dan 5000 vleesvarkens en jaarlijks produceren zij er 15 000. De zeugen komen uit een 1-ster zeugenhouderij. De vleesvarkens worden in een wroetstal groot gebracht op een 90% dichte vloer met daar bovenop 5 tot 10 cm dik strooisel. De varkens worden niet gecastreerd en staarten zoveel als mogelijk niet gecoupeerd. Minimaal 25% van het voer (mais, granen of ccm (corn crop maize)) komt uit de regio en de vaste mest wordt zo veel mogelijk op eigen land uitgereden, gaat terug naar de akkerbouwers, en/of naar akkerbouwers in de regio. Onderzoek van de WUR wijst uit dat in de gehele keten de wroetstal – vanwege de vaste mest en geen verwarming in de stallen - zorgt voor lagere CO2-emissies. Krull maakt gebruik van het Pietrain-varken.

Livar
Livar is een samenwerkingsverband van vijf Limburgse varkenshouders. Ze hebben gezamenlijk 3000 vleesvarkens. De stallen voldoen aan de EKO-normen: een stal met stro en uitloop. De varkens groeien in 10-11 maanden op tot 140/150 kilo. Het voer komt van voerfabrikant Vitelia, die de granen voor het voer gegarandeerd uit Limburg haalt. Het Livar-ras bestaat uit een mix van 5 rassen die speciaal is geselecteerd voor vlees met intramusculair vet en een speklaag.

De HeydeHoeve
De Heydehoeve is een coöperatie van vier boeren. Zij hebben gezamenlijk 15 bedrijven verspreid over heel Nederland, wat overeenkomt met 250.000 dieren. De varkens die verkocht worden onder het merk de Heydehoeve zijn opgegroeid in een 1-ster stallensysteem (1 m2 leefruimte per dier), de biggen worden niet gecastreerd. Drie van de vier boeren hebben mestvergistingsinstallaties. Zij produceren stroom uit biogas, wat naast energie voor het eigen bedrijf nog energie levert voor ongeveer 6000 huishoudens. Eén van deze drie boeren werkt met een mestverwerkingsinstallatie om uit de mest een kwalitatief hoogwaardig mestproduct te halen. Dit vergroot de mogelijkheden voor akkerbouwers om kunstmest te vervangen in de toekomst. Het voer komt voor 40-50% uit Nederland (granen van akkerbouwers rondom een van de boerderijen en breivoer). De Heydehoeve werkt met het Duroc-ras.

Buitengewone Varkens
Het bedrijf ROM3D heeft Buitengewone varkens opgezet om door middel van crowdfunding het project en de varkens te financieren. Zij hebben momenteel 20 zeugen en ongeveer 140 vleesvarkens. In samenwerking met verschillende partijen (particulieren, boeren, het Twickel en stichting IJssellandschap) op verschillende locaties (vooral Twente, maar ook Gelderland) groeien de varkens op allerlei gronden buiten op. Er is 1 ‘boer’ die de varkens op gezondheid controleert en het voer aanlevert. De zeugen worden natuurlijk gedekt en er worden geen ingrepen aan het varken gedaan. Buitengewone Varkens teelt het voer bijna helemaal zelf op 10 ha gepachte grond. Daarnaast wordt ongeveer 10% koolzaadschroot bijgekocht. Er wordt geen antibiotica gebruikt. Het bedrijf werkt met twee ‘buiten’-rassen: De Gasconne en de Bonte Bentheimer.

Het Vechtdal Varken
Coen Bosch en Henk de Lange varkensboeren produceren het Vechtdalvarken:. Ze werken biologisch en hebben een gesloten bedrijf. Henk de Lange heeft 320 zeugen en 2000 vleesvarkens. Hij koopt 50% van het voer in bij de voerfabrikant en mengt dit met 50% energierijk aangekocht voer uit de regio (granen en ccm). Een deel van de mest wordt weer afgezet bij de boeren waar het voer vandaan komt. Meer bewegingsruimte van het varken heeft invloed op de smaak van het vlees. Ze vaccineren biggen tegen ziektes en tot nu toe hebben ze geen antibiotica hoeven te gebruiken. Henk de Lange werkt met een zogenaamde familiestal, waar de biggen vanaf de geboorte tot aan de slacht in dezelfde groep blijven. De biggen hebben vanaf een week of zes toegang tot de biggenopfokafdeling via een systeem van selectiepoortjes (dit heeft minder stress tot gevolg).

Piggy’s Palace
Erik Stegink en zijn gezin zijn naast hun ‘gangbare’ varkensbedrijf met een experiment begonnen om het eigen MVO beleid verder vorm te geven. Hier worden de varkens, maximaal 100 biggen tussen de 10 en 70 kilo, gehouden op 1 ha land. Piggy’s Palace pleegt geen ingrepen aan het varken (tandjes niet geslepen, staarten niet gecoupeerd en biggen niet gecastreerd) en injecteert de beesten naaldloos. De samenstelling van het voer is gericht op het beïnvloeden van de smaak (mosterd, eikeltjes, of kruiden) en komt bijna geheel uit de regio (op rozemarijn kruiden uit Polen na). Er wordt geen antibiotica gebruikt. De stroom die wordt gebruikt voor het voersysteem, de verlichting en de vangconstructie komt uit zonne-energie van het ‘gangbare’ bedrijf van Erik Stegink, dat voor 30% in hun eigen energie voorziet.



Voor welke van deze varkens zou u kiezen? Waarom? Wat zou u er nog meer over willen weten?


Fotocredits: OINK! OINK!, Leo Reynolds
Dit artikel afdrukken