In handelsverdrag TTIP speelt dierenwelzijn geen principiële rol. Eerder fungeert het als wisselgeld in de onderhandelingen. Dat blijkt uit bronnenonderzoek en gesprekken met zowel voor- als tegenstanders van het verdrag tussen de Europeanen en Amerikanen. De belofte van minister Ploumen van Handel (PvdA) dat onze voedselstandaarden niet omlaag gaan, komt hiermee volledig op losse schroeven te staan, zo vat het blad Wittemans tekst Dierenwelzijn is wisselgeld in handelsverdrag met Amerikanen samen.

Daarbij komt dat het speelveld van onze grote wereldwijd ondernemende multinationals zich op de wereldmarkt moeten zien te handhaven en zich niet kunnen permitteren Europees te denken. Dáárom is dierenwelzijn slechts wisselgeld
De EU heeft in zijn onderhandelingen met de VS over het vrijhandelsverdrag TTIP niet gevraagd om aan haar eigen (hogere) dierenwelzijnseisen vast te houden. Bij de VVD stuit dat beleid inmiddels op bezwaren. VVD-Europarlementariër Hans van Baalen verklaart tegenover Witteman dat als er niet toch hogere welzijnseisen in het verdrag komen, zijn fractie zal vragen om importheffingen voor Amerikaans vlees. Frans van Dongen, de Nederlandse vleeshandelslobbyist in Brussel, wijst erop dat extra heffingen nou juist juridisch worden afgebroken door het verdrag.

Witteman ontdekt dat Van Baalens collega Jan Huitema, eveneens lid van het Europarlement voor de VVD, blijkt te zijn teruggekomen op eerdere standpunten. Hij vond aanvankelijk dat Europa niet zou hoeven vast te houden aan haar eigen welzijnseisen. Hij blijkt echter radicaal van mening veranderd en vindt nu dat Europa juist wel voor de hogere eigen eisen had moeten pleiten. Boerderij sprak hem daarop aan. Huitema is er duidelijk over: hij vindt dat hij zich vergist heeft en dat Europa had moeten vragen om hogere dierwelzijnseisen. Dat zou Europa alsnog moeten doen om zijn eigen dierhouderij in de benen te houden.

Onduidelijk is waarom Europese lobbyorganisaties van boerenzijde niet eerder hebben aangedrongen op het vasthouden aan hogere welzijnseisen. De Europese boerenkoepel Copa-Cogeca gaf onlangs aan tegen verhoging van de welzijnseisen te zijn. In de markt is echter reeds geruime tijd bekend dat TTIP negatief uitpakt voor de Europese vleesindustrie. Dat zal resulteren in de import en consumptie van niet-Europees, goedkoper vlees vanuit de VS.

De protesten van de VVD volgen op het nieuws van de afgelopen maanden over de dramatisch slechte financiële positie waarin Nederlandse - en andere Europese - varkenshouders verkeren wegens overproductie die - ondanks de grote vraag vanuit China - zijn weg naar de wereldmarkt onvoldoende weet te vinden. Mogelijk heeft dat te maken met de groeiende, goedkopere productie vanuit de VS en Zuid-Amerika waar Europa niet tegenop kan.

Dick Veerman
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


VVD kiest voor importbarrières
Het motief van de VVD om voor dierenwelzijn te kiezen, is economisch. Je kunt er importbarrières mee opwerpen tegen het veel goedkopere Amerikaanse varken en andere dierlijke producten. Doet de EU dat niet, dan wordt zijn varkens- en andere dierlijke productie fors uitgedund. Dat zal niet leiden tot een verlaging van onze consumptie ('minder maar beter'), maar tot een verlaging van het dierenwelzijn per gemiddelde in Europa geconsumeerde kilo vlees.

Witteman beschrijft de situatie als volgt: Tot nu toe hoefden deze branches weinig concurrentie te dulden dankzij Europese importbeperkingen, waardoor ze zich door de jaren heen konden aanpassen aan de steeds striktere dierenwelzijns- en milieu-eisen. Een miljardenopgave. Om een beeld te geven: volgens de branche van varkenshouders (POV) kost het milieu- en diervriendelijker maken van de sector zo’n 300 miljoen euro per jaar.

In de Verenigde Staten woedde de schaalvergroting echter lustig voort in de strijd om de laagste productiekosten. Dus zoveel mogelijk varkens per vierkante meter stal en de kip op de legbatterij. Zo heeft een volgroeid Nederlands vleesvarken nog recht op één vierkante meter leefruimte, waar het Amerikaanse varken op dat vlak überhaupt geen rechten heeft. Er bestaan wel richtlijnen. Daarin is opgenomen dat datzelfde uit de kluiten gewassen varken in Amerika mag rekenen op 0,75 vierkante meter leefruimte.

Als het dan zo slecht is voor Nederlandse boeren. Waarom is dan de Nederlandse vleeshandel vóór TTIP?
Mede door dit soort verschillen kan de Amerikaanse pluimvee- en varkenssector tegen maar liefst 15 tot 25 procent lagere kostprijzen produceren dan de Nederlandse. Dat onze markt niet allang wordt overspoeld door Amerikaanse vlees- en eiproducten is dan ook puur te danken aan de importplafonds. De verwachting is echter dat die plafonds inderdaad met TTIP een heel eind verder omhoog worden bijgesteld. Kortom: geduchte concurrentie voor de Nederlandse varkens- en pluimveeboeren.


Als het dan zo slecht is voor Nederlandse boeren. Waarom is dan de Nederlandse vleeshandel vóór TTIP?

Opvallend genoeg is de overkoepelende Nederlandse vleesbranche (COV) desondanks voorstander van TTIP. Volgens Frans van Dongen, lobbyist voor COV in Brussel, heeft dat alles te maken met de andere internationale handelsverdragen waarover momenteel óók wordt onderhandeld: ‘We weten dat onze vleesindustrie er niet per se op vooruit gaat met TTIP, maar je moet dit verdrag zien binnen de grote lappendeken aan handelsverdragen. Als we hier weer een goed handelsverdrag met Japan voor terugkrijgen, kunnen we alsnog profiteren. We snappen dat vlees dan wisselgeld is binnen TTIP.’

En dat kan wel degelijk gevolgen hebben voor de dierenwelzijnsstandaarden die wij hier in Nederland hanteren, erkent Van Dongen: ‘Als er meer export van varkensvlees vanuit Amerika wordt toegestaan, bestaat de kans dat ons duurzamer varkensvlees deels wordt weggeconcurreerd.’


TTIP zet de positie van de boer onder druk, juist op een moment waarop boeren-Europa zich in een diepe crisis bevindt op het gebied van zijn dierlijke productie
De vleeshandel heeft, zo blijkt, helemaal geen moeite met minder vlees uit de EU. De herkomst van vlees maakt de handel immers niet uit. Daarnaast is de handel realistisch. De EU wil non-food kunnen exporteren naar de VS en verdient zijn geld aan de verwerking van grondstoffen en niet of nauwelijks aan de productie daarvan, al helemaal niet nu die productie zo verlieslatend is. Om die reden houdt ook de voedselverwerkende industrie zich stil tegen Witteman, hoewel ze daar in haar verder goed getroffen artikel niet achterkomt. Als Europa zijn welzijnsdieren en andere hoger genormeerde agriproductie een markt kan geven, dan vinden de handel en verwerkende industrie dat prima. Kunnen ze dat minder goed, dan maakt hen dat niet uit omdat ze de grondstoffen dan elders in de wereld zullen inkopen.

Japan
Japan wil geen Amerikaans vlees op zijn markt, omdat het Amerikaanse varken zoveel goedkoper is, dat het de eigen en maar kleine Japanse productie zou wegvagen. Voor Europa is Japan echter al jaren een groeimarkt die verder bestendigd kan worden wat Van Dongen betreft. Vers vlees zal Europa ook altijd lokaal blijven produceren, met een overloop naar de wereldmarkt voor delen die we zelf niet eten (zoals bijvoorbeeld de poten, koppen en oren van het varken). Voor landen als Japan kan Europa zelfs edele karkasdelen produceren omdat het land er een tekort aan heeft. De grondstoffen voor verwerkt vlees kunnen en zullen door Europese grootverwerkers en supermarkten, hun grootverkopers, echter goedkoper worden geïmporteerd van buiten de EU.

De grondstoffen voor verwerkt vlees kunnen en zullen goedkoper worden geïmporteerd
Wittemans conclusie én die van de VVD'ers Van Baalen en Huitema zijn juist: TTIP zet de positie van de boer onder druk, juist op een moment waarop boeren-Europa zich in een diepe crisis bevindt op het gebied van zijn dierlijke productie. Wie er vanuit een boerenperspectief naar kijkt, rukt zich de haren uit het hoofd: als Europa had vastgehouden aan zijn hogere welzijnseisen en die zelfs - zoals ik zelf ook heb bepleit - nog verder had verhoogd, zou ze het boerenprobleem in Europa beter hebben kunnen aanpakken.

Daar is niet voor gekozen, ook al had Europa - zoals Ferdi de Ville, professor Europese politiek aan de Universiteit van Gent begin deze week betoogde op MO* - TTIP juist kunnen aangrijpen vanuit een visie op zijn eigen grondgebied en een onderscheidend product in de wereld zijn productienormen te bepalen en van daaruit handel te bedrijven met de VS.

Dat alles neemt niet weg dat er juist daarom een markt ontstaat voor Europese boerenondernemers. De conclusie moet dan ook luiden dat TTIP de gemiddelde beestenboer versneld de markt uitjaagt
Toch markt voor Europese ondernemers
Om dat voor elkaar te krijgen moeten overheid en bedrijven zoveel vertrouwen in elkaars doen en laten hebben, dat zelfs nooit iemand bedacht heeft dat het zinvol zou kunnen zijn om samen zo'n visie te ontwikkelen. Daarbij komt dat het speelveld van onze grote wereldwijd ondernemende multinationals zich op de wereldmarkt moeten zien te handhaven en zich niet kunnen permitteren alleen Europees te denken. Dáárom is dierenwelzijn slechts wisselgeld op het internationale handelstoneel.

Dat alles neemt niet weg dat er juist daarom een markt ontstaat voor Europese boerenondernemers die zich realiseren dat er burgers zijn die juist wel een product willen dat zich ethisch onderscheidt en dat Europese supermarkten zich daarmee willen vertonen om niet ook in een prijzenslag ten onder te gaan.

Echt vervelend wordt het pas als Amerikanen en Brazilianen dat product óók kunnen leveren. Met hun lagere kostprijzen zouden ze de Europese boer dan alsnog wegblazen. Dat zullen ze echter voorlopig niet doen omdat de wereldmarkt genoeg kansen biedt voor hun goedkopere standaardproduct.

Onderwijl heeft de gemiddelde Europese boer het nakijken. Die maakt slechts te dure grondstoffen en is afhankelijk van wettelijke normen die in zijn nadeel uitpakken.

Het midden verdwijnt
De conclusie moet dan ook luiden dat TTIP de gemiddelde beestenboer versneld de markt uitjaagt. Verwerkers, supermarkten en andere retailers beginnen zich inmiddels af te vragen hoe ze aan hun verse grondstoffen moeten komen. Het antwoord dat zich aftekent, mag duidelijk zijn: van de niet-gemiddelde boer die het spel begrijpt en die óf efficient maar voor de Europese markt produceert (en zijn overschotten laat weglopen via de wereldmarkt zonder dat het de prijzen voor het Europese product beïnvloedt) óf voor een niche. Wat in het midden zit, verdwijnt.

Met dank aan Follow the Money voor de long quotes die we mochten plaatsen uit het artikel van Lise Witteman

Fotocredits: protest tegen TTIP door Greenpeace, Greenpeace
Dit artikel afdrukken