Wel een pracht van een naam. Een plezier om uit te spreken, zelfs. Het woord pompelmoes zou afkomstig zijn uit het Tamil, een taal uit Zuid-India. Pampa lim su betekent 'grote citroen'. De Nederlanders keerden terug uit de Indische Oceaan met de kennis over die grote citroen, die in India door kinderen vooral als voetbal wordt gebruikt. Maar maakte de naam wel de grote oversteek, de vrucht bleef ter plekke. Alleen mensen die naar ginder gingen, kenden pompelmoezen. Onze taal gaf wel het woord door aan andere talen, zoals pamplemousse in het Frans.

In de Caraïben, helemaal aan de andere kant van de wereld, dook in de achttiende eeuw op een gegeven moment op het eiland Barbados een nieuwe citrussoort op, een hybride tussen een pompelmoes en een appelsien. Groter dan een appelsien, maar niet zo groot als een pompelmoes, noemden de kolonisten hem daar eerst "verboden vrucht" en later shaddock, zogezegd naar de kapitein die voor het eerst die boom had geïntroduceerd. Omdat de grote vruchten in trossen groeiden, ging men ook spreken van trossenvrucht, grape fruit in het Engels.

Trossenvruchten waren om naar te kijken en werden verspreid over botanische tuinen als eigenaardigheid. Niemand at ze, want ze smaakten ronduit bitter en slecht.

Maar ze werden ook in de VS ingevoerd en daar wou men er geld mee verdienen. De mensen zouden ze eten, willen of niet! Met wat marketing is er altijd geld te verdienen en in het midden van de vorige eeuw werd ons ook de grapefruit door de strot geramd, ik vermoed via damesbladen die er de ideale vrucht in zagen om af te slanken. Omdat greepfroet niet acceptabel is als fruitnaam voor de doorsnee-schepen voor Vlaamse Zaken, werd de oude naam van die grote citrus uit Indië, die hier nog nooit iemand had gezien, er weer bij gesleurd. Het ding heette sinds die damesbladen dan ook pompelmoes. Maar dat is dus niet hetzelfde als de Aziatische pompelmoes. Die laatste heet voor de wetenschap Citrus maxima, de greepfroet daarentegen Citrus x paradisa. Dat x'je tussen de twee naamdelen betekent dat het om een hybride gaat, niet om een echte plantensoort. De laatste hybride heeft soms stekels op de takken, de Caraïbische hele grote. Of is het nu omgekeerd? Zelfs mijn boekjes raken in de war.

Toen die Aziatische échte pompelmoes hier zo'n twintig jaar geleden dan eindelijk ook begon op te duiken via de exotische fruithandels, zaten ze met een probleem. De échte pompelmoes liep commercieel in de weg van de usurpator, de pompelmoes-greepfroet. Dus moesten ze weer op zoek naar een nieuwe naam. Dat werd pomelo, het Spaanse woord voor pompelmoes. Nog altijd twijfelt iedereen eraan wat nu wat is. Om maar te zeggen: als u niet kunt volgen, is dat niet zo vreemd.

Nick Trachet
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


De Aziatische pompelmoes, de pomelo dus, is heel groot en meestal groen aan de buitenkant. U kerft een snee in de schil, steekt er de vingers van beide handen tussen en rukt de schil uit elkaar. Met grote hompen komt de schuimig witte pit eraf, en wat overblijft is een belachelijk klein hoopje partjes met een taai vel. Het vruchtvlees is doorgaans nogal droog met weinig smaak. Veel geld voor een weinig opwindend stukje fruit.

Met het vertrouwde greepfroet daarentegen, hebt u waar voor uw geld. Kleiner en geler dan de pomelo, met een aanvaardbaar dunne schil, maar nog altijd taaie membranen. Je kan hem in twee snijden en oplepelen. Voorts is greepfroet een vorm van toegelaten kindermishandeling. Ooit een kind ontmoet dat greepfroet lust? Wij kregen het regelmatig en op die dagen duurde het ontbijt ontiegelijk lang. Gelukkig vond één of andere marketier er het pompelmoesmes voor uit. Het ding mocht dan slecht smaken, men kon er tenminste mee spelen, snijden, wrikken met een lepel, het sap eruit lepelen. Dasjteren, zeggen we hier in Brussel. Een hoop griessuiker deed de rest.

Het sap werd dan wel populair, maar dan vooral als menger met andere ingrediënten. Ik herinner me een grote mode van de 'Belladonna', een vervaarlijk niet-alcoholische cocktail in grote glazen.

Ik associeer greepfroet vooral met de jaren zestig. Niet alleen was hij onderdeel van het 'betere' ontbijt, het fruit werd ook gepusht met alles waar koude garnalen in zaten. Hét cliché van de sixties: een trappistglas met een mengsel van roze garnalen ('Noorse' zeggen ze vandaag), stukken greepfroet, enkele plukjes sla en een kwak cocktailsaus: een mayonaise die was aangemaakt met een lepeltje tomatenpuree (ketchup was nog niet 'in') en een scheut whisky, u weet wel, die ouderwetse Schotse drank die naar gerookte terpentijn smaakt. Wie geen whisky in huis had (de meerderheid), deed het met sherry.

We kunnen erover spreken, ik kan erover schrijven, maar eten met plezier is er nog altijd niet bij. Gezond is het ook al niet. Dat van die vermageringskwaliteiten is nooit begrepen, maar anderzijds stuurt het sap van greepfroet de medicatie van sommige zieken in de war en wordt het verdacht van het veroorzaken van nierstenen. Smakelijk.

Fotocredits: Rita Willaert
Dit artikel afdrukken