Het belang van de Nederlandse land- en tuinbouw voor de nationale voedselindustrie neemt af. De verwerking van agrarische grondstoffen tot voedsel in ons land is in toenemende mate gebaseerd geraakt op de import van grondstoffen en de export van de landbouwproducten die hier zijn geëxporteerd.

Deze ontwikkeling van een grondgebonden boerenlandbouw naar een ongrondgebonden verwerkende agrarische industrie is al langere tijd gaande. Het is een vrijwel onvermijdelijke logica die volgt uit de combinatie van vier factoren: (a) het feit dat vrijwel nergens ter wereld grond, arbeid en milieugebruiksruimte zo duur zijn als in Nederland; (b) de toenemende liberalisering van markten waardoor import van elders gemakkelijker is dan ooit; (c) de, vooralsnog, buitengewoon lage kosten die gelden voor internationaal, en vooral ook intercontinentaal transport; en (d) de opkomst, in de periferie van Europa, van nieuwe en zeer grote landbouwbedrijven (vaak eigendom van grote kapitaalgroepen), die niet alleen voor extreem lage prijzen kunnen produceren, maar die ook bij uitstek zijn geïnteresseerd in het veroveren van nieuwe marktsegmenten.

Productie en consumptie ontkoppeld
Tegelijkertijd wordt een toenemend deel van de agrarische productie die wél in Nederland wordt gerealiseerd naar elders geëxporteerd. Dat geldt niet alleen voor bloemen, siergewassen, bomen, pootaardappelen en andere hoogwaardige producten die elders minder gemakkelijk zijn voort te brengen, maar ook voor bijvoorbeeld varkenskarkassen – of meer in het algemeen: voor laagwaardige bulkproducten die goedkoop naar elders gaan omdat de Nederlandse samenleving nog steeds de negatieve effecten van een dergelijke productiewijze accepteert. Een derde categorie wordt gevormd door sterk ondersteunde producten als melk, fabrieksaardappelen en groentes. De export van goedkope en/of ondersteunde producten (zoals, op dit moment, magere melkpoeder voor West-Afrika) leidt vaak tot een kaalslag onder lokale producenten aldaar. De ondersteuning is meerledig. Het kan gaan om goedkoop gas, inkomensondersteuning van de EU en herfinanciering door banken in tijden van recessie.

We eten voedsel dat van elders komt en de landbouw alhier oriënteert zich op vragen die elders gelden: babyvoeding voor China, uien en kippenvleugels voor West Afrika en paprika’s voor New York
In een notendop: de Nederlandse land- en tuinbouw enerzijds en de consumptie van voedsel anderzijds raken steeds meer van elkaar ontkoppeld. We eten voedsel dat van elders komt en de landbouw alhier oriënteert zich op vragen die elders gelden: babyvoeding voor China, uien en kippenvleugels voor West Afrika en paprika’s voor New York. Het kan welhaast niet anders dan dat deze trend zal doorzetten. Overigens zien we eenzelfde dubbele beweging ook in landen als de USA, Turkije, Zuid Afrika en in de EU als geheel. De primaire landbouwproductie is in toenemende mate export-georiënteerd, terwijl de voedselvoorziening import-afhankelijk wordt.

Irreversibele degradatie
De stabiliteit als ook de wenselijkheid van de constellatie die zo ontstaat is in toenemende mate aan twijfel onderhevig. Dat is zeker in Nederland het geval, alwaar deze kritiek niet uit één specifiek segment van de maatschappij voortkomt maar een brede achtergrond heeft.

Een sterk export-georiënteerde landbouw kent een hoge prijs als het gaat om een aantrekkelijk platteland. Zulk een platteland onderscheidt zich door een goed leefklimaat (essentieel voor plattelandsbewoners die in de stedelijke economie werken), mooie landschappen, een hoge en goed beschermde biodiversiteit, een sterke regionale economie en een goed ontwikkelde (en niet overbelaste) infrastructuur. Een dergelijk platteland vormt ook bij uitstek een positieve vestigingsfactor voor nabijgelegen steden: internationale bedrijven vestigen zich bij voorkeur in een regio die hoogopgeleid personeel een aantrekkelijk ommeland biedt. De genoemde aspecten worden allemaal duidelijk naar voren gebracht door een waaier van maatschappelijke organisaties. Toch brengt de toenemende export-oriëntatie van de Nederlandse landbouw (die zich vertaalt als schaalvergroting, intensivering, specialisatie, uniformering en hoge emissieniveaus) een doorgaande en steeds meer irreversibele degradatie met zich mee.

Met de doorgaande, soms zelfs versnelde schaalvergroting daalt niet alleen het aantal boerenbedrijven en daarmee de werkgelegenheid. Ook de totale toegevoegde waarde die in de primaire landbouw wordt gerealiseerd daalt zo in sterke mate (net als het multiplier effect op de rest van het gebied). Al met al wordt zo de regionale economie eerder verzwakt dan versterkt – zeker als de centralisatie in verwerking en distributie het midden- en kleinbedrijf steeds meer uit de markt drukt.

Het behoeft geen betoog dat hetzelfde export-georiënteerde landbouwmodel ook de landbouw élders sterk onder druk zet. Dit is bijvoorbeeld de reden dat West-Afrikaanse landen trachten de import van uien te quoteren. En dat ze protesteren tegen de sterk toegenomen invoer van magere melkpoeder (dat, met boterolie, weer wordt ‘omgebouwd’ tot lokaal aangeboden melk). De massale importstromen slaan de bodem weg onder de lokale landbouw en de uitzichtloosheid die daarmee ontstaat vertaalt zich direct en indirect door in migratiestromen, niet alleen naar de steden maar ook naar Europa.

Tenslotte, het zij hier terzijde vermeld, is het vigerende model evenmin aantrekkelijk voor het merendeel van degenen die in de Nederlandse land- en tuinbouw werken; het gebrek aan perspectieven is fnuikend, zeker ook voor jongeren die graag zouden willen boeren.

Drang naar voedselsoevereiniteit in het Zuiden van de wereld
Terwijl de negatieve aspecten steeds zwaarder wegen, verliezen de pijlers waarop de grootschalige, export-georiënteerde landbouw steunt, aan betekenis. Immers, de financiële ondersteuning van EU-zijde neemt af, de vanzelfsprekendheid van voedseltransporten over lange afstanden wordt steeds vaker in twijfel getrokken (mede met het oog op het gebruik van fossiele energie) en landen in het Globale Zuiden opteren steeds vaker voor voedselsoevereiniteit.

Al met al roept deze situatie een aantal prangende vragen op. Waarom, bijvoorbeeld, wordt doorgegaan op een weg die, zeker in Nederland, zo’n hoge en meerledige prijs met zich meebrengt? Die vraag klemt temeer als men beseft dat er alternatieven zijn (die verderop kort worden aangestipt).

Naast het loden gewicht van routine, de ogenschijnlijke almacht van gevestigde belangen en bestuurlijke arrogantie ligt het antwoord bij een nieuwe factor, die qua gewicht snel groeit maar in het publieke en politieke debat vooralsnog onvoldoende wordt onderkend. Deze nieuwe machtsfactor ligt besloten in de verwachting dat een nieuwe en omvangrijke markt voor landbouwkennis kan worden gecreëerd.

Kennis in blik exporteren
‘Bovenop’ de gangbare landbouwexport bakent zich een nieuw segment af: dat is de export van kennis (deels in ‘ingeblikte’ vorm). Hierbij gaat het om stallenbouw, veevoeding, veterinaire producten, kassenbouw, automatisering van bedrijfsprocessen, landbouwmachines, systemen voor precisielandbouw, managementmodules als ook om de bijbehorende consultancy. Thans omvat de export van ‘ingeblikte’ kennis zo’n 10 miljard Euro per jaar. Daar komt nog een aanzienlijk, maar vooralsnog niet gekwantificeerd bedrag bij voor consultancy die wordt geleverd door ingenieursbureaus, universiteiten en onderzoekscentra. Hoewel de totale omvang van kennisexport relatief gering is (in vergelijking van de totale klassieke landbouwexport), zet het agro-industriële complex (waartoe ook het ministerie, de Rabobank en WUR moeten worden gerekend) in toenemende mate in op een versnelde vergroting van juist dit segment. Het is de ‘love baby’ van de Nederlandse landbouwelite.

Op het eerste gezicht lijkt dit een verstandige uitbreiding van de kenniseconomie. De export van landbouwkennis komt evenwel met een moeilijk verteerbare ‘reclameboodschap’, net zoals ze gepaard gaat met een ‘prijskaartje’ dat bij nadere beschouwing verontrustend is.

Centraal in de boodschap staat Nederland als ‘tweede landbouw exporteur ter wereld’.1 De Verenigde Staten zijn nummer één. Gekoppeld aan de minuscule omvang van ons land moet dit de notie schragen dat we over een superieure landbouw beschikken, die beter dan wie of wat dan ook in staat is ‘de wereld te voeden’.2 Dat is de boodschap die voortdurend en allerwegen wordt uitgedragen: een superieure landbouw die is gebaseerd op superieure kennis die is ‘ingeblikt’ in superieure technologieën , bedrijfsmodellen en logistieke systemen – en die kennis vermarkten we graag. In meer precieze zin is de boodschap dat Nederland een technologie kan leveren die de landbouw laat functioneren zonder daarbij nog boeren te behoeven. Big data, precision agriculture en automatisering nemen de rol van boerenarbeid over. Het is een technologie die wonderwel scharniert met de voortdurend gepropageerde grootschaligheid en daarmee met landgrabbing.

Etalage
Vermarkten veronderstelt een etalage: een plaats, gelegenheid of methode om de waarde van de aangeboden waar te verifiëren. Het Nederlandse platteland moet, in deze visie, als zo’n etalage functioneren. Immers, als geïnteresseerde kopers zouden vernemen dat de aangeboden waar in Nederland zelf niet wordt gebruikt, want niet wordt gewenst of zelfs verboden is, dan zullen ze vermoedelijk snel afhaken. Dit is weliswaar niet de enige, maar wel de voornaamste reden om de Nederlandse landbouw verder om te vormen (te ‘moderniseren’) tot een toonbeeld van een gespecialiseerde, intensieve, grootschalige en technologische landbouw die sterk is ingevlochten in agro-industriële ketens. De aanwezigheid van zulk een landbouw in Nederland is het verkoopargument dat de export van landbouwkennis moet schragen. Andere argumenten voor de geduide modernisering zijn er niet of nauwelijks. Het meeste pleit er tegen. Het platteland wordt ontwricht, de milieudruk blijft hoog (hoewel het tegendeel wordt geclaimd), het merendeel van boeren en tuinders wordt beroofd van enigerlei perspectief (ze moeten plaats maken voor ‘het model’), de effecten elders (met name in het globale zuiden) zijn catastrofaal en het leveren van een substantiële bijdrage aan het Klimaatakkoord van Parijs wordt een illusie. Het ombouwen van het Nederlandse platteland tot etalage voor de export van ‘superieure’ landbouwkennis kent zo, al met al, een hoge prijs. Het is een prijs die beduidend hoger is dan de opbrengst van de beoogde ‘kennisexport’ (die bovendien slechts aan enkelen toevalt).

Het functioneren als ‘etalage’ is niet geheel nieuw. In de tweede helft van de 19de eeuw, toen de export van goed melkvee een belangrijke rol begon te spelen, verhoogden Friese boeren de hoogte van de stalvloer ten opzichte van grup en gangpad. Dit hield in dat potentiële kopers bij de bezichtiging van het vee de indruk kregen dat ze met enorme dieren hadden te maken. Het vee werd letterlijk en figuurlijk 'te pronk' gezet. Voor de dagelijkse praktijk waren de sterk verhoogde stalvloeren (die nog steeds zijn te zien in de kop-hals-romp boerderij in het Openlucht Museum in Arnhem) echter ondingen. Menige koe verongelukte, menige boer brak er zijn benen. Na een eerste golf van ‘verkoopdrift’ daalde de stalhoogte weer ras.

De kandidatuur van Nederland (en daarmee van Fresco) is op een muur van verzet gestuit. De positie van secretaris-generaal gaat naar China en dat is in meerdere opzichten veelzeggend
China wint
Hoe het ook zij, nu moet er met een hoogtechnologische landbouw worden gepronkt. Er kan, zo meent men, goed mee worden verdiend. Daartoe is een aanpak ontworpen die meerdere componenten omvat. Naast het ombouwen van het platteland tot etalage is dat het op-één-lijn brengen van Wageningen Universiteit en het Nederlandse agro-complex. Er moet met één mond worden gesproken; industriële laboratoria voor R&D worden tussen universiteitsgebouwen gezet en vrijwel alle onderzoek wordt, door verplicht gemaakte co-financiering, in lijn gebracht met corporate interests. Daarnaast is er een ‘top consortium’ opgetuigd onder leiding van de heer Aalt Dijkhuizen – niet geheel onbekend bij degenen die het landbouwdebat in Nederland volgen. Dit consortium, dat nauw samenwerkt met de ‘topsector Agri & Food’, coördineert de innovatieaanpak en verzorgt de onderzoeksprogrammering. Een andere component, minstens zo belangrijk voor het verwerven van een dominante positie, is de poging de FAO, de belangrijkste internationale arena als het gaat om landbouw en voedsel, over te nemen teneinde van daaruit het model van grootschalige en kapitaalsintensieve landbouw uit te dragen en voor te stellen als een natuurnoodzakelijkheid. Een prettige bijkomstigheid daarbij is dat de USA absoluut willen breken met de lijn die op succesvolle wijze is uitgezet door de huidige secretaris-generaal, Graziano da Silva. Hij ontwierp eertijds in Brazilië het Fome Zero-programma waarmee effectief de wijd verspreide honger terug werd gedrongen en waarmee hij groot gezag verwierf in het Globale Zuiden. Gedurende zijn twee termijnen bij de FAO introduceerde Graziano de agro-ecologische aanpak (die diametraal op het Nederlandse model staat) en versterkte hij de inbreng van internationale boerenorganisaties als La Via Campesina.

De ideale kandidaat van en voor de Amerikaans-Nederlandse coalitie leek mevrouw Louise Fresco: vrouw, niet-Amerikaans, wél nauw gelieerd aan het internationale bedrijfsleven en fervent tegenstander van agro-ecologie. Ze geeft ook de juiste antwoorden. Gevraagd hoe de Afrikaanse bevolking in de toekomst zal worden gevoed, stelt ze kort en bondig: ”dankzij grootschalige landbouw” (Volkskrant, 3 maart 2018, pag. 44). Achter de schermen is volop en langdurig gelobbyd door Nederlandse (en ook Amerikaanse) diplomaten, terwijl mevrouw Fresco zelf plaats nam in het HLPE (een denktank van de Wereldvoedselcommissie van de FAO) – een activiteit die veel tijd vraagt zodat menigeen zich afvroeg waarom de bestuursvoorzitter van een Nederlandse Universiteit (i.c. Wageningen) zich zo’n veeleisende ‘bijbaan’ permitteerde.

Het heeft niet mogen baten. De kandidatuur van Nederland (en daarmee van Fresco) is op een muur van verzet gestuit. De positie van secretaris-generaal gaat naar China en dat is in meerdere opzichten veelzeggend.

China kent een rijkgeschakeerde en dynamische boerenlandbouw (daar waar Nederland ondernemerslandbouw centraal stelt). Dat is eveneens een zeer produktieve landbouw: China produceert op 10% van het landbouwareaal dat internationaal beschikbaar is 20% van alle voedsel). De total factor productivity is de afgelopen 40 jaar onafgebroken toegenomen (een enorme prestatie) en de armoede op het platteland is vrijwel geëlimineerd. Nu is het niet zo dat de Chinese landbouw geen problemen kent, integendeel. Het punt is dat het om een landbouwmodel gaat dat op allerlei punten radicaal van het Nederlandse model verschilt. In Nederland zijn technologie en financieel kapitaal belangrijke drijfveren van agrarische groei – in China steunt de landbouwontwikkeling vooral op boerenarbeid. In Nederland geldt een substitutieverhouding tussen arbeid en kapitaal – in China zijn ze complementair. Daarnaast staat China, internationaal, voor Zuid-Zuid samenwerking (in tegenstelling tot de Noord-Zuid samenwerking die Nederland propageert en behoeft) en kent het land veel gewicht toe aan de agro-ecologische aanpak.

Het onvermogen om Fresco te positioneren gaat verder dan de persoon zelf - het gaat om een weigering het Nederlandse landbouwmodel (en de daaraan gelieerde Amerikaanse hegemonie) te accepteren als richtsnoer voor de toekomstige landbouwontwikkeling. Mevrouw Fresco zelf zal wellicht, als ‘troostprijs’, een positie binnen het IFAD (de financiële arm van de FAO) krijgen – een positie die ze vermoedelijk met een Duitser zal moeten delen.

Wereldwijd toenemende druk
Voor Nederland had de afwijzing een teken aan de wand moeten zijn. Het landbouwmodel dat Nederland wil exporteren wordt, net als de daarbij behorende kennis, afgewezen als minder geschikt voor de oplossing van het wereldvoedselvraagstuk. Velen zien beiden zelfs als een integraal deel van het probleem in plaats van als oplossing. Zo zijn er de afgelopen jaren méér tekenen aan de wand geweest. De zelfbenoemde landbouwelite is en blijft daar evenwel ziende blind en horende doof voor.

Wereldwijd neemt de druk, en de noodzaak, toe om een beslissend andere route te volgen. Deze nieuwe route is gebaseerd op vijf uitgangspunten die fundamenteel contrasteren met die van het Nederlandse model. In de eerste plaats dient landbouwproductie niet gericht te worden op de voortbrenging van voedsel alleen. De landbouwactiviteit dient óók werkgelegenheid, verdiencapaciteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor jongeren en een aantrekkelijk platteland te leveren. Op de tweede plaats is een agro-ecologische transitie nodig: ecologie en hoogwaardige arbeid moeten een centrale plaats verkrijgen terwijl de afhankelijkheid van (zo niet verslaving aan) chemische hulpmiddelen en genetische modificatie moet worden afgebouwd. Op de derde plaats wordt op steeds meer plaatsen gevraagd om voedsel-soevereiniteit: het recht van elk volk om zelfstandig te besluiten over de organisatie van voedselproductie en -consumptie. Op de vierde plaats is er behoefte aan een landbouw die ‘weerbaar’ is (resilient), onder meer omdat ze ingepast is in multifunctionele bedrijfsvormen. Tenslotte relateert deze beslissend ándere landbouw zich aan de consumenten door de organisatie van nieuwe markten die gebaseerd zijn op nabijheid, wederzijds vertrouwen, geringe bewerking, afwezigheid van additieven, smaak en hoogwaardige kwaliteit. In het hiermee afgebakende geheel spelen boeren en boerinnen wederom een centrale rol (en dat contrasteert sterke met de franchisenemers van de agro-industrie die ze volgens Fresco zouden moeten zijn).

De Nederlandse benadering van internationale markten is niet marktgericht maar gebaseerd op een lokaal verleden waar het geen afscheid van kan nemen
Intrigerende paradox
Interessant genoeg zijn deze vertrekpunten ook onderkenbaar in de rijke verscheidenheid van de Nederlandse landbouw. Naast een export-georiënteerde ondernemerslandbouw kent Nederland een veelvormige boerenlandbouw. Het laatstgenoemde segment wordt echter steeds verder ondergeschikt aan, en verdrongen door het eerste. Bij elk verdelingsvraagstuk in de landbouw alhier geldt dat de baten naar de ondernemerslandbouw gaan en de kosten dienen te worden betaald door de boerenlandbouw (ook al zijn die kosten veroorzaakt door de ondernemers). Met een radicale verandering in het landbouwbeleid zou de boerenlandbouw echter weer kunnen worden versterkt en zou de consumptie van voedsel in onze samenleving weer veel meer kunnen worden gestoeld op de productie alhier. Bovendien zou de aantrekkelijkheid van het platteland op deze wijze kunnen worden gehandhaafd, zo niet versterkt.

Zo zijn we al met al getuige van een intrigerende paradox: Nederland wil de wereld, althans de landbouw op internationaal niveau, ‘veroveren’. Maar het kiest daarbij een koers die voornamelijk wordt bepaald door binnenlandse factoren: de routines zoals neergeslagen in LTO en LNV, het onvermogen van Wageningen om te stappen voorbij theoretische modellen die hun houdbaarheidsdatum al ruim zijn gepasseerd en captains of industry die zich opgejaagd voelen door activistische aandeelhouders en/of vooral doende zijn met de eigen bonus. In andere woorden gezegd: de Nederlandse benadering van internationale markten is niet marktgericht maar gebaseerd op een lokaal verleden waar het geen afscheid van kan nemen. Zulke motieven zijn een slechte raadgever voor succes.
Er zijn overtuigende alternatieven. Gevangen in padafhankelijkheid blijken de toonaangevende actoren echter niet in staat om uit de verstikkende omarming van oude koersen en clusters van belangen te stappen. Dat is jammer. De Nederlandse landbouw, ons platteland en de Nederlandse boeren verdienen zoveel beter. De internationale landbouwstelsels en boerenbevolking trouwens ook.

1 Zonder de export van kennis mee te rekenen beloopt de landbouwexport zo’n 90 miljard op jaarbasis. De import van landbouwproducten bedraagt 62 miljard. Een aanzienlijk deel van de geïmporteerde producten wordt (soms na verwerking) weer doorgevoerd naar elders. Zo ontstaan paradoxale getallencombinaties. Het aandeel van de Nederlandse zuivel (de sector met het grootste ruimtebeslag) in de totale Nederlandse landbouwexport is slechts 8% (waarbij bedacht moet worden dat deze zuivelexport mede is gebaseerd op import van melk van elders). Tegelijkertijd draagt de cacao verwerkende industrie (geheel gebaseerd op import van cacao) ook 8% bij aan de totale Nederlandse landbouwexport.
2 Een niet te veronachtzaam probleem is natuurlijk dat een model dat hier ‘superieur’ lijkt, dat elders bepaald niet hoeft te zijn. Een ‘superieure’ landbouw van het Nederlandse type veronderstelt ‘optimale productieomstandigheden’: vlakke en vruchtbare gronden zonder stenen, ruime beschikbaarheid en reguleerbaarheid van water, beschikbaarheid van goedkope fossiele energie, een goed functionerende ‘technological support structure’, etc. In de vele berglandschappen, pampas, en wetlands van deze wereld ontbreken dergelijke voorwaarden echter gedeeltelijk of zelfs geheel. Een groeiende dominantie van technologische modellen die ‘optimale’ omstandigheden veronderstellen leidt licht, zo leert de ervaring, tot marginalisatie van de minder begiftigde landbouwgebieden. Wat aan de ene kant wordt gewonnen raakt aan de andere kant geronnen.