Afgelopen maandagavond hield Linda Roodenburg onderstaande voordracht over de Nederlandse eetcultuur in de Amsterdamse Rode Hoed. Het kader was de lezingenserie 'De prijs van ons voedsel'. Ik voelde een licht onbehagen in de zaal. Hoezo is eten alleen maar een trend en regionaal een trend van de culturele bovenlaag? Hoezo aten we in de Gouden Eeuw al van ver over de grenzen? Net zoals armen vroeger dun en de rijken dik waren en die rollen nu zijn omgedraaid, zo eten nu de rijken regionaal terwijl ze het vroeger internationaal deden. Of Roodenburg dan niet vond dat iedereen aan het regionaal moest werd haar in verschillende modulaties gevraagd. Dat is mijn vakgebied niet gaf ze in even zovele modulaties steevast als antwoord. Bravo!
Ik moest steeds aan onderstaande analyse denken toen ik twee dagen later met Rolf Hartogensis en Sanny Visser de Utrechtse markt op ging om mensen te vragen wat zij zich voorstelden bij 'lokaal eten'. Roodenburg droeg de volgende tekst voor:

De Nederlandse Maaltijd in heden verleden en toekomst. Daar zou ik uren over kunnen vertellen. Eten is zo verweven met het leven, dat je er alle maatschappelijke veranderingen in terug kan vinden. Welvaart, oorlog, mobiliteit, klimaat, migratie, ze hebben allemaal invloed op onze dagelijkse maaltijden. Wie een land wil leren kennen, moet beginnen met het eten. Het is de meest directe toegang tot een cultuur en vaak ook een hele aangename.

Onder eetcultuur versta ik het geheel van tradities, regels en andere afspraken die om de maaltijd heen gebouwd zijn. Die zijn in alle culturen verschillend.Niet alleen wat je eet, maar ook met wie, waar, hoe en wanneer. In een compleet overzicht van de Nederlandse maaltijd door de eeuwen heen zou ik al deze aspecten aan de orde moeten laten komen en deze relateren aan maatschappelijke veranderingen die eraan ten grondslag liggen. Dat gaat niet in 30 minuten, ik heb een keuze gemaakt.

In de Volkskrant van afgelopen weekeinde schreef ik een artikel over het ontbreken van een Nederlandse lunchcultuur. De warme maaltijd tussen de middag van vroeger is vervangen door een zakje boterhammen.
Het artikel eindigde met de suggestie om in deze Week van de Smaak ook eens een blik te werpen op de manier waarop migranten, Nieuwe Nederlanders, hun maaltijden waarderen en organiseren.




Dick Veerman
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


Daar wil ik nu op focussen: welke invloeden van buitenaf heeft de Nederlandse maaltijd ondergaan in de loop der eeuwen?
En dan heb ik het niet alleen over de Hollandse Pot, want dan zou ik in een paar minuten klaar zijn. En we moeten onze lekker hapjes straks wel verdiend hebben natuurlijk.
Ik vat de Nederlandse Maaltijd dus ruim op. Als de maaltijd van ALLE Nederlanders, van alle gezindten en kleuren.Dat lijkt me wel relevant in een land waar de bevolking in de grote steden inmiddels voor bijna de helft uit migranten bestaat.

Ik begin niet met de oerdis van holbewoners in de Rijndelta, ook de maaltijd boordevol biologische streekproducten van de Batavieren sla ik over, nee ik begin met een archetypisch beeld dat u onmiddellijk zal herkennen als dat van de Hollandse Pot:

image
1. foto: Saskia de Jong


Dit is geen foto uit de jaren Vijftig, wat u misschien zal denken. Ze is recent gemaakt in de huiskamer van een gezin in Ottoland, een klein dorp met 3 verschillende gereformeerde kerken. Het is een doordeweekse dag, half zes, vader, moeder, dochter en zoon zitten gebogen over hun bord. Op tafel staat een grote pan met eten. De foto is gemaakt door een andere dochter en van haar weten we dat er stamppot andijvie in de pan zit.Maar het had ook erwtensoep, boerenkool met worst of hutspot kunnen zijn.

Dit is de Hollandse Pot bij uitstek, waar ook iets chiquere gerechten bij horen: zoals op deze foto, genomen tijdens een feestje van een deftig gezelschap in het Rotterdamse Kralingen.

image
2. foto: Carel van Hees. Uit: Rotterdams Kookboek


Vroeger, tot in de jaren Zestig van de vorige eeuw, aten alle Nederlanders ongeveer hetzelfde. De een wat Franser dan de ander, maar het was allemaal algemeen bekende kost. Er waren een paar kookboeken, waar al die Nederlandse gerechten in beschreven stonden.
De boodschappen deden we in de buurt bij de melkboer, de slager, de kruidenier en de groenteboer. Die verkochten alles wat we nodig hadden. Magnetrons of stoomovens waren onbekend en vrijwel niemand had een ijskast. Ieder seizoen bracht zijn eigen groenten en fruit. Aardbeien in de zomer, spruitjes en boerenkool na de eerste vorst. En er waren altijd aardappels.Echte Nederlandse dagelijkse kost associëren we met aardappels. Alsof die hier sinds mensenheugenis gegeten worden. Maar zoals u ongetwijfeld weet, is dat niet zo. De Hollandse Pot is een recente uitvinding van nog geen 150 jaar oud. Uw voorouders aten - als het Nederlanders waren tenminste –ze zelden. Brood was hun basisvoedsel. Rond 1550 namen Spanjaarden de eerste Inca knollen vanuit Peru naar Europa. Pas in de 18de eeuw werden ze in ons land geteeld voor consumptie en het duurde tot ver in de 19de eeuw voordat de aardappel volksvoedsel nr. 1 werd.
Daarom is er geen aardappel te bekennen, op dit schilderij van Pieter Claesz uit 1627:

image
3. PIETER CLAESZ: Kalkoenpastei . Collectie Rijksmuseum Amsterdam


Kunsthistorici hebben boeken vol geschreven over de mogelijke symbolische betekenissen van alle uitgestalde producten op dit schilderij, maar laten wij nu gewoon eens kijken wat er hier te eten valt.
Wat meteen opvalt is dat de meeste producten niet van eigen bodem zijn. Het zijn bepaald geen streekproducten. De grote vogel is een kalkoen, een noviteit, ook afkomstig uit Amerika, maar veel sneller opgenomen in de Europese keuken dan de aardappel. De citrusvruchten, druiven, wijn en olijven komen uit Mediterrane streken, de kweeperen waarschijnlijk ook, uit het puntzakje rechts komt gemalen peper uit Indië en daarnaast ligt een bergje zout of misschien suiker afkomstig uit het Midden-Oosten. De titel van het schilderij is niet ‘ vergankelijkheid’ of ‘overvloed’, wat kunsthistorici beter uit zou komen, maar gewoon “kalkoenpastei”.
De schilder gunt ons ook een blik in de pastei. Hij is gevuld met ingrediënten waarvan de meesten afzonderlijke afgebeeld zijn.Kalkoenvlees gekookt in witte wijn, gekruid met gember, kaneel, kruidnagel, peper en saffraan. Verder zitten er vruchten, noten en rozijnen in, en de bovenkant is bestoven met poedersuiker.
Een hap van deze pastei is een smaakexplosie van hartig, zoet en zuur tegelijk. Het recept kunnen we vinden in de paar kookboekjes die bewaard zijn gebleven uit die tijd. daaruit kunnen we ook opmaken dat de Nederlandse maaltijd van toen gebaseerd was op de Italiaanse, die op haar beurt sterk beïnvloed was door de Arabische keuken, zoals we die nu nog in Iran en Marokko aantreffen.
De keuken van de Gouden Eeuw was dus niet alleen overvloedig en rijk, maar vooral internationaal. En dat is niet zo vreemd als we ons realiseren dat de stadsbevolking rond 1600 voor een derde deel uit immigranten bestond.

image
4. Vincent van Gogh: Aardappeleters. Collectie Kröller-Möller Museum


Maar wat een contrast met deze Aardappeleters. Dit schilderij gaat niet over lekker eten, maar over het harde bestaan van een bonkige boerenfamilie aan het eind van de 19de eeuw. Hun magen rammelen na hard werken op het land. Onder de walm van een olielamp zitten ze rond een schaal met aardappels. Uit een ketel komt een zwarte drap, de klok wijst vijf over half twaalf – wat een rare tijd overigens - en op het schilderijtje aan de muur hangt Jezus aan het kruis.
Van Gogh wilde de barre eenvoud van dit boerenbestaan verbeelden en dat is culinair gezien helemaal gelukt. Geen hint van verfijning, alleen maar eenvoudige, voedzame kost.
Hoe kon dit gebeuren? Hoe kon die rijke 17de eeuwse keuken veranderen in wat we nu, ook wel smalend, de De Hollandse Pot noemen?
Is dat puur een gevolg geweest van de economische achteruitgang waardoor de Nederlander armer werd en exotische producten onbetaalbaar?
Nee, er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen.
Allereerst de invloed van de kerk. Voordat de strijd tussen katholieken en protestanten ontbrandde in de 16de eeuw, had de kerk al flinke invloed op de eetgewoonten van de Nederlanders. Christelijk eten betekende in de praktijk óf uitbundig eten óf vasten. Een jaar had ruim 150 vastendagen, waaronder alle vrijdagen en zaterdagen en de 40 dagen tussen Aswoensdag en Pasen. Dan waren vlees, boter, kaas en eieren verboden en at men alleen brood, groenten en vis. Zo bestond er een gezond evenwicht tussen ongegeneerd schransen en zelfdicipline.
Daarnaast publiceerden medici invloedrijke boeken over gezondheid in relatie tot eten. Een populair boek was dokter Van Beverwijck ’ s Schat der Gesontheit, waarin hij vooral pleitte voor minder eten, goed voor lichaam én geest.
Voedseltaboe’s zoals de joden en moslims hanteerden, kende men nog niet, maar het was ongebruikelijk om kaas en boter te combineren. Zalm makreel, poon en mosselen werden beschouwd als armeluisvoedsel waar niemand graag veel van at.
In de loop van de17de eeuw klonk de roep om matiging en soberheid vanuit orthodox calvinistische hoek steeds luider. Dan ontstaan er ook ideeën over goede en foute spijzen, voedseltaboe’s. De kerk waarschuwde tegen het eten van exotische producten vanwege hun heidense (islamitische) oorsprong. De duivelse smaken en geuren bedwelmden de geest en en zetten aan tot zondige gedachten. Er moesten vooral inheemse gewassen uit de eigen streek gegeten worden en geen producten uit verre landen. Dat had God zo bedacht en daar moest niet tegen gezondigd worden.
Het grootste kwaad zat volgens de kerk in suiker, rietsuiker.Door de Kruistochten had West-Europa het leren kennen. Aanvankelijk was het een duur specerij, maar in de loop van de 17de eeuw daalde de prijs zodat gerechten niet meer gezoet werden met honing, maar rijkelijk bestrooid met poedersuiker of bedekt met een dikke laag suikerglazuur. Denk aan de pastei van Pieter Claesz.

De internationale, geraffineerde keuken van de Gouden Eeuw maakte geleidelijk plaats voor een andere manier van eten en imponeren. De gerechten werden eenvoudiger en de aandacht werd verlegd van wat men at naar hoe men at. Eten werd meer en meer aan regels en rituelen gebonden. De hogere standen begonnen zich tafelmanieren aan te meten, geïnspireerd op de etiquette van de Russische, Franse en Italiaanse hoven, om zich te onderscheiden van het gewone volk. Daarvóór at iedereen met de handen, uit een gemeenschappelijke pot en dronk men bier of wijn uit een gemeenschappelijke beker. Het eigen bord wordt gangbaar in de hogere kringen. Eerst van hout, dan van tin, aardewerk of porselein. In de 18de eeuw verschijnen de eerste vorken naar Italiaans voorbeeld op tafel en het eten met mes en vork dateert uit het begin van de 20ste eeuw.

Ook het economische verschil tussen rijk en arm werd groter. Wie arm was kon zich steeds minder vers vlees, vis en zuivel veroorloven. De dagelijkse maaltijd van de armen bestond uit gezouten spek, panharing, gedroogde vis, wortels, knollen en roggebrood - tarwebrood was al te duur –, terwijl de elite zich wierp op de Franse ‘cuisine’, die zich tijdens en na de Franse Tijd (1795 – 1815) in Nederlandse keuken nestelde.
En de genadeklap kwam van de kook- en huishoudscholen die in de 19de eeuw opgericht werden door dames uit welgestelde kringen. Zij maakten zich zorgen over de bewoners van de inmiddels sterk verpauperde stadswijken.Vooral over de meisjes uit gezinnen van fabrieksarbeiders. Als je die zou leren hoe je van goedkope ingredienten een voedzame maaltijd kon maken, zonder onnodige specerijen, kruiden of andere smaakmakers, dan zou dat de gezondheid van het proletariaat ten goede komen. En dat was natuurlijk ook nodig voor het draaiende houden van de fabrieken.
De aardappel werd gezien als een goed alternatief voor het dure brood. De Nederlandse grond was geschikt om aardappels te telen en de voedingswaarde was groot door het hoge zetmeelgehalte .
De figuren op dit schilderij eten dus geen traditionele maaltijd, maar een nieuw soort knol, net zo nieuw als de kalkoen op het schilderij van Pieter Claesz.

image
5. HUISHOUDSCHOOL, EINDHOVEN


Maar die arbeidersmeisjes gingen helemaal niet naar de kookscholen. Ze moesten zo snel mogelijk gaan werken om geld te verdienen.
Het waren vooral meisjes uit de middenklasse die de lessen gingen volgen. Zo verspreidde het eenvoudige en voedzame eten zich over de brede middenklasse, met de aardappel als basis voor de dagelijkse warme maaltijd.
En dat bleef hij heel lang, tot op de dag van vandaag is de geboren en getogen Nederlander nog verknocht aan zijn aardappel.Na de oorlog en de sobere jaren Vijftig veranderde Nederland ingrijpend en in hoog tempo, en daarmee ook de dagelijkse maaltijden. De welvaart steeg, evenals de mobiliteit en een grote stroom immigranten, uit alle hoeken van de wereld, kwam op gang.
Ze verbaasden zich allemaal over de sobere gerechten, het beperkte assortiment, de vaste etenstijden en de afgemeten porties. Hoe konden bewoners van zo'n welvarend land zo sober eten?

image
6. KOOKBOEKJE . Uit: Rotterdams Kookboek


Rond 1910 woonden er enkele duizenden Chinezen in ons land. Ze werkten in de koopvaardij en vormden kleine gemeenschappen op Katendrecht in Rotterdam en de Nieuwmarkt buurt in Amsterdam. Daar werd echt Chinees gegeten. Maar door de crisis in de jaren ’30 gevolgd door de Tweede Wereldoorlog raakten ze massaal werkeloos en velen keerden terug naar China.
Een nieuwe golf Chinezen arriveerde ongeveer tegelijk met honderdduizenden Indische Nederlanders die hun land ontvluchtten vanwege de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Deze repatrianten werden over het hele land verspreid. De Chinezen zagen het gat in de markt en begonnen restaurants, waar ze behalve Chinese, ook Indische gerechten serveerden, op Chinese wijze bereid. Deze Chinees-Indische restaurants werden een succes, tot in de verste uithoeken van het land. En steeds meer Nederlanders die nooit in Indië geweest waren waagden zich naar binnen.
De drempel was laag, de porties groot en goedkoop en bovendien kon je ze meenemen en veilig thuis opeten. De 'afhaalchinees' was voor de meeste Nederlanders de eerste kennismaking met exotisch eten. In feite serveerde de chinees een compromis van Indonesische, Chinese en Nederlandse smaken.De afhaal-loempia is groter en dikker dan de echte Chinese en de bami 'speciaal' is vooral Nederlands vanwege het spiegelei bovenop.

De Chinees dankte zijn groeiende populariteit ook aan het geboden gemak. Onverwacht bezoek kon normaliter nooit meeëten vanwege de afgemeten porties. Maar dankzij de afhaal-chinees werd deze ongastvrije gewoonte af en toe doorbroken. Vooral op zondag. Dan trokken de mannen erop uit en keerden terug met bakken vol nasi en bami, babi pangang en andere populaire chinees-indische gerechten, ruim voldoende voor iedereen. Kroepoek was gratis, evenals de sambal die op verzoek in aparte plastic zakjes bijgeleverd werd. ('sambal bij?'). Het witte inpakpapier deed dienst als tafelkleed, de plastic bakken fungeerden als schalen en alles kon na gebruik de vuilnisbak in. Geen gedoe in de keuken, geen afwas, wat een zondagsfeest.
De Indische en Chinese keuken werd opgenomen in de Nederlandse eetcultuur. Met als hoogtepunt de Indische rijsttafel, volgens alle reisgidsen typisch Nederlands en een MUST voor de buitenlandse bezoeker.

image
7. foto: Carel van Hees. Uit: Rotterdams Kookboek


Tot nu is dit een vrij overzichtelijk verhaal, hoop ik. Maar naarmate we het hier en nu naderen wordt het ingewikkelder.
Welke invloed heeft de immigratie vanaf de jaren Zestig en Zeventig op de Nederlandse eetcultuur?

Na de Chinezen en Indische Nederlanders volgden nieuwe groepen immigranten uit landen rond de Middellandse Zee, uit de Antillen en Suriname, uit Afrikaanse landen, uit het Midden-Oosten en Oost-Europa. Dat is u niet ontgaan.
Belangrijk is dat deze immigratie in korte tijd een radicale verandering veroorzaakte in de grote steden. Vooral in de binnenstad van Rotterdam was dit zichtbaar. Autochtone Rotterdammers vertrokken uit hun donkere portiekwoningen naar frisse nieuwbouwwoningen in de buitenwijken en migranten uit alle hoeken van de wereld kropen in de vrijgekomen huizen in de binnenstad.Het aantal inwoners bleef daardoor ongeveer gelijk, maar de bevolkings samenstelling werd compleet anders. Inmiddels bestaat de bevolking in de Nederlandse steden, niet alleen in Rotterdam, voor bijna 50% uit immigranten van de eerste, tweede en inmiddels ook derde generatie.
Welke gevolgen heeft dit voor de Nederlandse eetcultuur? In hoeverre beïnvloeden al die verschillende eetculturen elkaar? Is er een wisselwerking gaande? Worden al die nieuwe smaken net zo makkelijk opgenomen als die van de Chinese en Indische immigranten van vlak na de oorlog?

image
8. foto: Carel van Hees. Uit: Rotterdams Kookboek


Terwijl de nieuwe bewoners in de steden kwamen wonen, verdween de autochtone middenstand uit de buurten. De Nederlandse groenteboer, slager en melkboer werden weggeconcurreerd door de supermarkten. Winkelpanden en oude garages werden overgenomen door Turkse, Marokkaanse en Hindoestaanse middenstanders die importproducten uit hun eigen land gingen verkopen.Aanvankelijk was het assortiment afgestemd op de eigen gemeenschap, maar inmiddels hebben veel ondernemers het aanbod aangepast aan de multiculturele bevolking in de wijk.

image
9. foto: Linda Roodenburg, Rotterdam 2009


De Turkse en Marokkaanse bakkers verkopen nu ook Surinaamse broodjes, voorgesneden volkorenbrood en fototaarten; de Turkse groenteboer heeft zijn assortiment uitgebreid met zoete aardappels, mango’s en andijvie. De Marokkaanse slager verkoopt halal vlees voor de islamitische klandizie, maar ook lopers (kippenvoeten) en gerookte kippen voor Surinamers. En zijn neef de visboer wint eenprijs voor zijn nieuwe haring onder een slinger van rood-wit-blauwe vlaggetjes.
Kaapverdianen genieten van de erwtensoep bij de HEMA, omdat die lijkt op hun eigen, nationale gerecht cachupa. Turken hebben inmiddels de Chinese peer en de zoete aardappel ontdekt die ze Surinaamse aardappel noemen.

image
10. foto: Carel van Hees. Uit: Rotterdams Kookboek


Kijk eens wat we hier zien. Dit is recente foto van een feestelijk gedekte tafel van een Marokkaans-Nederlands gezin. Het is geen schilderij van Pieter Claesz, maar er staat wel een pastei op. Twee soorten zelfs. B’stilla- de grote pastei en briouats, de kleinere op de voorgrond. Het zijn beide hoogtepunten van de Marokkaanse keuken, die nog steeds alle trekken vertoont van de Arabische keuken. De vulling van de kleine pasteien komt ons bekend voor: gevogelte met amandelen en citroen, gekruid met gember, saffraan, kaneel , peper, en bestrooid met poedersuiker. Dankzij de Marokkanen is die bedwelmend lekkere, zondige, Arabische combinatie van zoet en hartig weer terug in Nederland.
Maar , in tegenstelling tot de kalkoenpastei van Pieter Claesz, is deze pastei vrijwel onbekend bij niet-Marokkaanse Nederlanders.
En dat is de situatie van nu: alle ingrediënten ter wereld zijn te koop in Nederland, nog meer en wellicht van betere kwaliteit dan in onze Gouden Eeuw, maar ze komen niet samen in gerechten die alle Nederlanders kennen en maken.
Zoals dat bijvoorbeeld wel in de Surinaamse keuken is gebeurd. Surinaams eten is een interessante mengeling van Afrikaanse, Indiaanse, Joodse, Indiase, Chinese, Javaanse en Nederlandsekeukens. In een tijdsbestek van ongeveer 100 jaar zijn alle Surinaamse bevolkingsgroepen met elkaar verenigd in gerechten als pom, roti en bb met r (bruine bonen met rijst).

In Nederland is deze culinaire integratie nog niet of nauwelijks op gang gekomen.. En misschien gebeurt dat ook nooit. Daar kom ik zo op terug.

Maar toch is De Hollandse Pot met aardappels, groente en vlees, al lang niet meer het enige dagelijkse voedsel van de autochtone Nederlander. ‘Alweer Thais’, klaagde een man onlangs tegen zijn vrouw bij Albert Heyn, “hadden we gisteren ook al”. De geboren en getogen Nederlander heeft wel degelijk de smaak van verandering te pakken. In verre landen vindt je altijd in kleine eethuisjes in achterafstraatjes een groepje Nederlanders, op zoek naar de meest authentieke en lokale gerechten.
En thuis eet hij net zo makkelijk Spaans als Mexicaans als Thais of andere gerechten uit de internationale keuken.
Maar – en dat is het bijzondere – de ingrediënten daarvoor koopt hij of zij niet bij de Surinaamse, Chinese, Turkse of Marokkaanse winkels.
De uitheemse kost komt via een andere omweg op zijn bord. Die is afkomstig uit de supermarkt, bijvoorbeeld als kant en klaar gemaksproduct…

image
11. foto: Linda Roodenburg


…uit een doos van de firma Knorr . En als de autochtoon een Marokkaanse couscous wil maken, dan gaat hij niet te rade bij de buren, maar koopt hij een Marokkaans kookboek of googlet op internet naar een recept.
De Nederlander bestaat niet meer en de Nederlandse keuken van alle Nederlanders ook niet. Van één grote culinaire samensmelting is geen sprake.
Binnenshuis, achter de voordeur heersen de tradities en codes van de eigen gemeenschap. Natuurlijk. Je eigen voedsel, alles wat met de paplepel naar binnen is gegoten, is, samen met je moedertaal, je sterkste band met je eigen cultuur, je identiteit. En gelukkig maar. Het houdt de culinaire diversiteit in stand.
En het recept voor stamppot andijvie zit heel terecht NIET in het inburgeringspakket.

Tot slot, mijn tijd zit erop, nog iets over de toekomst van onze dagelijkse maaltijd .
Gaan we allemaal uiteindelijk over op de dozen uit de wereldkeuken van Knorr?
Ik denk van niet. Hoe dichter we op elkaar zitten, des te groter wordt de behoefte aan onderscheiding.
Maar ook: Hoe verder de individualisering doorzet en familiebanden losser worden, des te zeldzamer wordt de gezamenlijke maaltijd als dagelijks terugkerende vanzelfsprekendheid.Die gezamenlijke maaltijd, de sociale gebeurtenis bij uitstek waar eettradities aan nieuwe generaties doorgegeven worden, staat onder druk. Er wordt minder gekookt dan vroeger, minder vaak samen gegeten en de vaste etenstijden verdwijnen. Vooral in de stad.

Het eten van de toekomst ligt op straat. Daar ontstaat een opmerkelijke uniformiteit op eetgebied.
In de anonimiteit van de openbare ruimte gaat iedereen, individueel, culinair vreemd. Daar kan je eten wat, hoe, met wie je wil, 24 uur per dag, goedkoop of duur, gezond of ongezond, veel of weinig. Los van paplepels en culinaire roots. Turkse of Italiaanse pizza, Vietnamese loempia , Surinaamse roti , Libanese falafel, Febo kroket en patatje oorlog eten ALLE Nederlanders, uit alle culturen, op alle momenten van de dag en steeds vaker in plaats van een zelfgemaakte maaltijd thuis.
Streetfood is het interculturele voedsel bij uitstek dat alle Nederlanders met elkaar verbindt.
Om te eindigen een mooi voorbeeld van streetfood waarin verschillende eetculturen samenkomen:

image
12: foto: Linda Roodenburg. Uit: Rotterdams Kookboek


Deze bakker knipt geen haren, maar verkoopt kapsalon.
We weten precies waar en wanneer de kapsalon is ontstaan, waarom hij zo heet en wie hem het eerst gegeten heeft.
Ik zou u het verhaal graag vertellen, maar de tijd is om.In het kort: Kapsalon ontstond een paar jaar geleden in een Rotterdamse shoarmazaak en heeft inmiddels alle hoeken van ons land bereikt. De meeste kans maak je in de buurt van een station. Ook in België, in Antwerpen is de eerste kapsalon gesignaleerd.

image
13 foto: Linda Roodenburg.


Het recept is eenvoudig:
Shoarmavlees met patat , knoflooksaus en sambal in een bak doen, afdekken met een plak Goudse kaas , dan de bak onder de grill tot de kaas gaat druipen en het geheel afmaken met een reepje sla en een plakje tomaat. Kapsalon is als caloriebom vooral populair bij jongeren zowel voor als na een avondje stappen.
Voor de echte culi’s is kapsalon een gruwel, maar een moderne ondernemer heeft daar iets op gevonden. Afgelopen zaterdag was ik op een culinair festijn in Rotterdam en maakte de volgende foto:

image
14. foto: Gosewijn van Beek

Dit artikel afdrukken