Er is al veel gezegd in reactie op de uitnodigende tekst van Dick Veerman. Mijn naam werd enkele keren genoemd, daarom probeer ik nog wat zinnigs toe te voegen aan de discussie over het gebruik van gif in de landbouw.

1. “Onze landbouwgrond is zo dood als een pier”
Gelukkig betreft het hier een overdrijving. Landbouwgrond is absoluut nog niet vergelijkbaar met steenwol waarop via strak gecontroleerde voedingsmiddelen oplossingen planten gekweekt worden. Boeren brengen nog steeds grote hoeveelheden mest op weide en akker, en je ziet het snel verdwijnen; bodemorganismen doen nog hun werk! Het blijkt ook uit het voorbeeld van Myrna van der Laar, het voedselbos Ketelbroek (waar ik onlangs een rondleiding kreeg): “In de praktijk wordt met voedselbos Ketelbroek aangetoond hoe snel (al na zes jaar) de natuur zich herstelt op een voormalige akker.”

Als er één land is waarvan de landbouw met bijna de hele wereld vervlochten is dan is het Nederland. Dat te stoppen is misschien wel net zo moeilijk als geen pesticiden meer te gebruiken
2. “Weg met het gif”
Om de vraag van Dick (“Hoe ziet die landbouw zonder gif eruit?”) met beide benen op de grond te beantwoorden is het nuttig om kunstmest en pesticiden afzonderlijk te benoemen. Laten we het ons niet te moeilijk maken. Het is al moeilijk genoeg, zo niet onmogelijk, om je landbouw zonder pesticiden (herbiciden inbegrepen) voor te stellen. Kunstmest zie ik als een noodzakelijk kwaad; ik hoop dat dat op een dag niet meer voor pesticiden geldt. Ik zie kunstmest als een noodzakelijk kwaad, zowel om Nederland als om de wereldbevolking te voeden (Zie bijvoorbeeld de notitie die ik voor OXFAM-Novib schreef: “What type of agriculture can nourish the growing world population? A personal reflection” en "Landbouwkundige productie in Nederland bij natuurlijke stikstofvoorziening", R.S. Nauta, 1979. LUW.). En ik heb er heel hard aan mee gewerkt om methodes te ontwikkelen die de risico’s van kunstmestgebruik zo klein mogelijk maken.

3. Wat is nu eigenlijk de vraag?
Dennis Zeilstra stelt terecht dat Dick’s vraag om goed beantwoord te worden om meer kader vraagt. Ik zie om meerdere redenen weinig in de suggestie van René van Druenen om ons daarbij tot Nederland te beperken:
• Als er één land is waarvan de landbouw met bijna de hele wereld vervlochten is dan is het Nederland. Dat te stoppen is misschien wel net zo moeilijk als geen pesticiden meer te gebruiken.
• Nederland is niet alleen heel dicht bevolkt, zoals René stelt, het is ook erg rijk (zou het best zonder eigen landbouw kunnen stellen) en is atypisch wat landbouw betreft; gunstig klimaat, veel vruchtbare bodems terwijl alle bodems vanaf het einde van de 2e wereldoorlog verrijkt zijn met vrachten aan kunstmest N, P, K …. en met eindeloze hoeveelheden organische stof en voedingsstoffen uit geïmporteerd veevoer en ander organisch materiaal.

Het is wat mij betreft nuttiger om Dick’s vraag te beantwoorden in relatie tot het voeden van de wereldbevolking. Als extra argument dat van kosten en baten, die in de discussie meerdere malen genoemd zijn. Het is goed je te realiseren dat aanpassingen van landbouwsystemen bij de huidige graad van liberalisatie van de wereldhandel, dadelijk te maken krijgen met het concurrerend vermogen van nieuwe systemen. Een simpel voorbeeld uit mijn Rwanda ervaring (sinds 1972 focus ik mij op de landbouwontwikkeling problematiek van Afrika bezuiden de Sahara): Bij een eerste bezoek aan Zuid-Rwanda ontdek ik veel kleine akkertjes met tarwe op de berghellingen. De directeur van een grote maalderij, die ik bezoek, vraag ik of hij genoeg tarwe in de omgeving weet te kopen. “Tarwe uit de omgeving? Ik ben niet gek; Argentijnse tarwe is veel goedkoper!”. Argentijnse tarwe; oversteek van 1,5 oceaan en vervolgens 1800 km op een vrachtauto over slechte wegen.
Biologische landbouw komt niet echt in aanmerking als hoofdelement van het antwoord

4. Biologische landbouw een optie?

Het is aantrekkelijk te denken aan biologische landbouw als element van een antwoord op Disk’s vraag, ook al komen mij dan de verhalen voor de geest van niet-plaagspecifieke natuurlijke gifstoffen, die en plaag en vijand van de plaag doden. Toch komt ze niet echt in aanmerking als hoofdelement van het antwoord; de productiviteit is veel te laag om de wereldbevolking te kunnen voeden. En kom mij nu niet aan met de bewering dat die productiviteit van biologische landbouw wel 80% van de gangbare landbouw is. Die 80% betreft akkerbouw. Ik deed een schatting hoeveel mest er nodig is om dat productieniveau in Nederland te halen en kwam op de mest van 5 à 6 ha met biologische rundvee voor melkproductie. De melkproductie daarvan is a) slechts een fractie van die van de gangbare melkveehouderij; b) ze wordt bedreven op gronden die sinds de 2e wereldoorlog sterk verrijkt zijn (zie boven), en c) het is daarom onmogelijk te zeggen of de huidige veebezetting ook op lange termijn houdbaar zal blijken. En dan vergeet ik maar dat bijna elk bedrijf met biologische veehouderij dat ik bezocht gebruik maakt van deels niet grondgebonden en vaak goedkoop (natuurgebieden; buitendijks land) voer.

Henk Breman
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


5. Agrobosbouw
Ik durf me wel een “agrobosbouw expert” te noemen. Hendrik Kaput noemde onder #88 mijn eerste grote studie. Ze werd in boekvorm door Springer uitgegeven. Het betreft een identificatie van de factoren die de beschikbaarheid van licht, water en voedingsstoffen voor meerjarige houtige gewassen vergroten in verband met kruidachtige planten, waaronder eenjarige gewassen. Ook kwantificeert het boek die factoren voor de West-Afrikaanse Sahel en savanne zone. Later testte ik resultaten van het boek. In Togo zette ik een 10 jarige agrobosbouwverificatie op, met positieve resultaten.

Dankzij die grotere beschikbaarheid aan water en voedingsstoffen kunnen bomen, mits niet of licht geëxploiteerd, de bodem waarop ze staan verbeteren. Daarbij moet aangetekend worden dat daarbij de grond op grotere afstand van de boom onder de verbetering dichter bij de boom te lijden heeft.

“Intensieve agrobosbouw” is veel interessanter dan “extensieve agrobosbouw”
Vegetaties en gewassen kunnen onder heel specifieke omstandigheden zo van die bodemverbetering door bomen profiteren dat ze meer produceren dan zonder de aanwezigheid van die bomen. In verreweg de meeste omstandigheden echter is het negatieve effect van concurrentie van die bomen om water en voedingsstoffen (veel) groter dan het positieve effect van bodemverbetering. Gemiddeld is wereldwijd de gewasopbrengst in agrobosbouw systemen ongeveer 25% lager dan die van akkers zonder bomen onder vergelijkbare omstandigheden ("Comment assurer la sécurité alimentaire en RD Congo? S’appuyer sur l’agroforesterie et des engrais!" H. Breman, 2012).

De gesuggereerde hogere Land Equivalent Ratio's (LER; René van Druenen, #87) geldt slechts voor totale phytomassa, niet voor gewasopbrengst voor menselijke consumptie. Of het moest om die zeldzame gevallen gaan dat het positieve effect van bodemverbetering de concurrentie door de boom overtreft. Dat betreft, naast specifieke boomkeus, slimme management en veel arbeid, het niet of gedeeltelijk overlappen van groeiseizoen van boom en gewas. Denk aan gewas onder Faidherbia albida, een paradijselijke boom die alleen in de droge tijd, als er geen gewas groeit, blad draagt, of aan wintertarwe onder populieren.
Eén van de in Togo geverifieerde resultaten uit het “Springer boek” dat Hendrik Kaput noemde betreft de conclusie dat het voor boeren, gezien opbrengst en inkomen, veel interessanter is om agrobosbouw in te zetten om kunstmest heel efficiënt en zonder grote risico’s te gebruiken, dan om dit productiesysteem in te zetten om kunstmestgebruik te omzeilen dan wel tot een minimum te beperken. “Intensieve agrobosbouw” is veel interessanter dan “extensieve agrobosbouw”!

6. Agro-ecologie
Ik bestudeerde het eerste rapport van Olivier de Schutter (“Special Reporter on the Right to Food” van de VN), waarin hij “agro-ecology” als DE oplossing voor de voedselproblematiek van Afrika presenteert. Het wordt daarbij een vorm van biologische landbouw, zonder of met een beetje kunstmest. Al lezend trok ik cruciale referenties na, en schreef een nogal vernietigend artikel over het rapport. Ik presenteerde het als spreker op een internationaal congres. De studie werd gekozen om als hoofdstuk in een boek naar aanleiding van dat congres te worden opgenomen ("The agro-ecological solution!? Food security and poverty reduction in sub-Saharan Africa, with an emphasis on the East African Highlands", H. Breman, 2013).

Bij gebruik van de noodzakelijke doses kunstmest kunnen monoculturen niet weer vervangen worden door mengculturen, maar om de druk van pest en plagen te beperken kan gedacht worden aan de oude gewasrotaties
7. Hoe ziet die landbouw zonder gif eruit?
(Eventuele) landbouw zonder gif zal een combinatie moeten zijn van elementen uit de gangbare landbouw en van alternatieven als biologische landbouw, voedselbossen, agro-ecologie, etc. Kunstmest zal er deel van moeten uitmaken en zal moeten worden gebruikt in de context van geïntegreerd bodemvruchtbaarheidsbeheer. “Intensieve agrobosbouw” is daarvan een nuttige afgeleide voor hellingen met sterke “run-off”. Bij gebruik van de noodzakelijke doses kunstmest kunnen monoculturen niet weer vervangen worden door mengculturen, maar om de druk van pest en plagen te beperken kan gedacht worden aan de oude gewasrotaties (e.g. vierslag stelsels zoals beschreven door landbouwhistoricus Slicher van Bath), en aan rijenculturen zoals ik die in China zag ("The struggle of the green against the yellow dragon". H. Breman, 1986). Voor de tijd dat er nog pesticiden nodig zijn moet geïntegreerde pest controle weer serieuze aandacht krijgen.

8. Postscriptum
Ik snap Marco Maas niet. Hendrik Kaput reageert al op de suggestie om mycorrhiza’s in te zetten in plaats van bemesting met P. Ik ben het met hem eens; ze zijn effectief bij te lage P-niveau’s om interessant te zijn voor productieve akkerbouw. En wat die P-uitspoeling betreft, dat is onzin; P spoelt niet of nauwelijks uit. Alleen bij extreme doses organische mest is het mogelijk wat P naar de diepte te zien verdwijnen. De P-verliezen waar we ons druk over moeten maken zijn verlies via afstroming en via voedsel voor mens en dier.
Dit artikel afdrukken