Nederland kent al een halve eeuw een poldermodel voor sociaal-economische kwesties. Daarin overlegt de overheid met het maatschappelijke middenveld van werkgevers en werknemers om beleid te ontwikkelen dat draagvlak heeft in de samenleving. Als daar een compromis is gesloten weegt dat zwaar voor het parlement. Toen rond 1990 milieu hoog op de maatschappelijke agenda kwam, is de milieubeweging het poldermodel binnengehaald en sindsdien spreken we wel van het “groene poldermodel”. Doel is om ‘milieu’ een volwaardige plek in de besluitvorming te geven en om daarvoor een breder draagvlak in de samenleving te creëren. Sterk versimpeld gaat het om 1) evenwicht tussen kapitaal, arbeid en milieu, 2) maatschappelijk draagvlak en 3) pacificatie, c.q. voorkomen en oplossen van conflicten.

Verassend persbericht
Hoe heeft dit groene poldermodel gewerkt bij de recente debatten over de Melkveewet en de AMvB Grondgebonden groei melkveehouderij?

Eerst het milieu. Daarover is al uitvoerig gediscussieerd in eerdere draden op Foodlog. Mijn stelling was dat na het einde van de melkquotering de Melkveewet, ook met de halfslachtige AMvB, zal leiden tot een aanzienlijke groei van de melkveestapel, de uitstoot van ammoniak en broeikasgassen en de mestproductie en –overschotten. Daardoor komt er meer druk, inclusief fraudedruk, op de toch al gebrekkig functionerende mestmarkt. Bovendien zal het met Brussel overeengekomen fosfaatplafond snel worden bereikt en waarschijnlijk overschreden. Daarna zal Nederland gedwongen zijn tot een bestuurlijk paardenmiddel: begrenzing en wellicht vermindering van het aantal koeien. Die sombere voorspellingen zijn door andere discussianten niet tegengesproken.

Groen dankzij N&M
Verrassend genoeg bracht Stichting Natuur & Milieu (N&M) na publicatie van de AMvB een persbericht uit waarin werd gesproken over “Mooi nieuws voor koeien, natuur én boerenfamiliebedrijven.” En vorige week stuurde N&M samen met LTO en de zuivelindustrie een brief naar de Eerste Kamer met het verzoek om vóór de AMvB te stemmen. Kortom, hoewel de AMvB niet bepaald groen is, integendeel, kreeg zij van N&M het groene stempel. Dat komt feitelijk neer op greenwashing. En dat werkte, want mede dank zij deze brief kreeg de AMvB in de Eerste Kamer brede steun.

We zijn hier niet gelukkig mee, maar door een positieve toon aan te slaan blijven we in gesprek en kunnen we invloed uitoefenen, zei een medewerker
Aanhang en recht van spreken
Dan het draagvlak. Namens wie sprak Natuur & Milieu eigenlijk?
N&M is decennialang de enige landelijke milieuclub geweest die zich serieus met het mestdossier bezighield en daarover flink wat kennis in huis had. De andere milieu- en natuurorganisaties vertrouwden haar de onderhandelingen met een gerust hart toe. N&M is daar nog altijd trots op – en terecht.

Wouter van der Weijden
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


Maar rond de Melkveewet en de AMvB werkte dat niet meer. N&M heeft nog maar weinig kennis over mest in huis. Het hielp niet dat de staatssecretaris maandenlang niet polderde maar alleen onderhandelde met coalitiepartners VVD en PvdA. Toen het polderen begon en N&M mee mocht praten, was er weinig speelruimte meer. N&M zette in op het midden tussen beide coalitiepartners, en probeerde nog van alles, maar het eindresultaat lag dichter bij het standpunt van "alle ruimte voor grondloze groei" (VVD) dan bij "alleen grondgebonden groei" (PvdA). Toch was N&M bereid dat resultaat naar buiten te verdedigen. Een medewerker legde me achteraf uit: “We zijn met dit resultaat niet gelukkig, maar door een positieve toon aan te slaan blijven we in gesprek en kunnen we invloed uitoefenen." Wat ook meespeelde was de angst voor het stigma “rupsje nooitgenoeg”. Heel anders was de opstelling van Milieudefensie en de provinciale milieufederaties, die niet aan tafel zaten (Milieudefensie alleen in het laatste overleg). Zij namen expliciet stelling tegen de AMvB. Dat hielp evenmin, maar was in elk geval geen greenwashing.

Nu komt verdeeldheid in de milieubeweging wel vaker voor, maar dan is het maatschappelijk gezien relevant hoeveel aanhang de verschillende organisaties hebben. Hierbij de meest recente getallen van Vroege Vogels:
• Wereldnatuurfonds: 803.200 donateurs
• Natuurmonumenten: 725.056 leden
• Greenpeace: 434.553 donateurs
• Vogelbescherming: 144.098 leden
• Milieudefensie: 84.644 leden
• Natuur en Milieu: 8.685 donateurs*

Van de Provinciale Milieufederaties is het aantal donateurs mij niet bekend.

Van dit rijtje is Natuur en Milieu veruit de kleinste en qua juridische structuur (stichting) niet de meest democratische club. Maatschappelijk gezien is er dus een uiterst smalle basis voor de rol die N&M heeft gespeeld. Ze kon zich dat veroorloven doordat de veel grotere milieu- en natuurorganisaties dat gedoogden en de Haagse onderhandelingen plaatsvonden onder geheimhoudingsplicht.

Daardoor kon de groene pijler van het poldermodel ontaarden in greenwashing door één kleine partij
Niet meer van deze tijd
Ter vergelijking: bij het Energieakkoord van de SER in 2013 werkte het groene poldermodel wel. Dat kwam onder meer doordat er meerdere groene partijen bij betrokken waren (naast N&M ook Greenpeace, milieufederaties en De Groene Zaak), die wat meer expertise in huis hadden en onderling afspraken maakten. Bovendien werkte zware druk vanuit Brussel toen in hun voordeel. Rond de melkveehouderij stelde de Europese Commissie echter wel grenzen aan de landelijke fosfaatproductie, maar eiste ze geen grondgebondenheid. Daardoor kon de groene pijler van het poldermodel ontaarden in greenwashing door één kleine partij. Het model was quasi-groen, quasi-democratisch en amper transparant. Dat is niet meer van deze tijd.

Snel een democratischer poldermodel
Gaat het nu alleen om nakaarten? Nee, want er spelen ook andere milieukwesties rond de veehouderij, zoals ammoniak en broeikasgassen. Wat betreft de melkveehouderij gaat de besluitvorming een nieuwe fase in: invulling van de dierrechten, die nu vrijwel onvermijdelijk zijn geworden. Stel bijvoorbeeld dat die rechten moeten worden gekort, gebeurt dat dan alleen bij intensieve bedrijven of bij alle? Dat maakt nogal wat uit voor het milieu en het aantal koeien in de wei.

De grote milieu- en natuurorganisaties doen er verstandig aan de koppen bij elkaar te steken. Ook de natuurorganisaties, want koeien hebben effect op het landschap en mest en ammoniak op de natuur. Zij zouden zichzelf en elkaar de volgende vragen moeten stellen:
1) Waar willen we heen met de melkveehouderij en met mest en ammoniak? Willen we de sector grondgebonden houden of mag ze intensiveren en industrialiseren? En welk percentage van de koeien willen we in de wei houden?
2) Door welke milieuorganisatie(s) willen we ons inzake veehouderij en mest laten vertegenwoordigen in Den Haag en in het maatschappelijke debat? En wat willen we zelf doen?
3) Hoe zorgen we dat deze organisaties bij hun meningsvorming over voldoende expertise beschikken?
4) Hoe zorgen we dat de besluitvorming transparant wordt en dat er discussie in bredere kring plaatsvindt, ook met mensen uit de praktijk? En dat vertegenwoordigers verantwoording afleggen over hun rol in het polderproces?

Misschien kunnen de organisaties zich dan ook buigen over een aanpalend probleem: het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in de beleidsvorming een ondergeschikte rol gespeeld. Hoe kunnen we zorgen dat die rol weer meer gelijkwaardig wordt aan die van Economische Zaken?

Het poldermodel moet snel weer groener, democratischer en transparanter worden, voordat er meer brokken worden gemaakt.

* Volgens Natuur & Milieu zou het ledental ruim 15 maal hoger liggen; de website van de stichting vermeldt geen donateursaantallen. Bij het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn geen donateursgegevens bekend van Natuur & Milieu.

Fotocredits: Koeien in de Eempolder, ednl
Dit artikel afdrukken