We willen geen plastic verpakkingen, geen voedselverspilling en meer vers eten. Maar meer vers en minder verspilling lukken niet zonder plastic. We willen dat kippen langer leven, meer ruimte hebben, meer kunnen bewegen en minder klimaatimpact hebben. Maar hoewel de eerste drie eisen samen nog lukken, gaan ze niet samen met de vierde. Een klimaatkip of een afgemest haantje is nu eenmaal geen welzijnskip, maar dat willen we niet horen.

Ontnuchterend
Het wemelt van dit soort voorbeelden. Hans de Gier, oprichter en eigenaar van het Eindhovense automatiseringsbedrijf SyncForce, duidt ze aan met de term Goodness Paradox. Voor bedrijven in mode tot voedsel maakt hij toepassingen die de data van hun producten door de hele keten heen integreren en transparant maken. Met een druk op de knop kunnen zijn klanten daarmee berekenen hoe ‘goed' ze scoren op duurzaamheid.

Hoewel de toepassingen die hij maakt echt zijn, zal dat straks theorie blijken omdat de scores vastlopen. Reden voor De Gier om aan de bel te trekken.

De werkelijkheid is in twee opzichten ontnuchterend. De gegevens die nodig zijn om die berekeningen te maken ontbreken grotendeels. Als ze er eenmaal zijn, zullen bedrijven ontdekken dat ze hun doelstellingen zelden tegelijk kunnen realiseren. Als ze serieus werk willen maken van duurzaamheid dan moeten ze die gegevens wel boven water halen én - hoe teleurstellend en pijnlijk ook - keuzes maken tussen hun doelstellingen. Meer plastic en minder vers, bijvoorbeeld, of meer vers en accepteren dat het tot meer verspilling leidt. En klimaat- óf welzijnskip, want alle twee tegelijk gaat niet. Of geen dierhouderij en dierlijke mest, maar dan ook geen biologische landbouw want die heeft dierlijke mest nodig.

Zo'n universele taxonomie is geen sinecure en draait dus zelfs uit op een confrontatie met het optimisme dat duurzaamheid een kwestie van willen en doen zonder kiezen is
Duurzaam 'periodiek systeem'
Zoom je verder in, dan ontdek je hoe complex het is om bruikbare data te verzamelen en verwerken. Niet alleen data zijn een vereiste. Ze moeten ook nog zinvol gekoppeld kunnen worden. Zonder vergelijkbaarheid van de noemers bieden ze bedrijven en consumenten geen inzicht van betekenis. De CO2-uitstoot van maïs moet bijvoorbeeld net zo berekend worden als die van de kunstmest die nodig was om de maïs te telen en die van de stal en het leven van de kip die ervan eten. Anders zegt het labeltje dat vertelt hoe 'goed' de kip scoort niets omdat het gebaseerd is op een ratjetoe van CO2-definities. Maïs neemt bijvoorbeeld koolstof op en legt die koolstof vast. Is dat positieve effect opgenomen in de definitie? Maar als dat zo is, is dan ook vastgelegd of die koolstof nadat die door een kip is uitgepoept weer meteen wordt opgenomen in nieuw gewas? Als de mest wordt verbrandt, zoals in Nederland gebeurt, dan is dat namelijk uiterst onduurzaam.

In vaktaal gezegd: er zijn niet alleen data nodig, maar er is ook een universele taxonomie nodig. In gewone mensentaal: ieder begrip moet in de hele keten op precies dezelfde manier gehanteerd worden. En dat moet tot op het meeste basale niveau. Er is als het ware een periodiek systeem voor duurzame elementen nodig. Wie de wereld scheikundig ontleedt, verzamelt data over de elementaire deeltjes en kijkt hoe die zich verhouden. Wie de wereld duurzaam ontleedt, moet iets soortgelijks doen en zal ontdekken dat niet alles tegelijk kan worden gerealiseerd vanwege de tegenstrijdigheid van verschillende duurzame doelen.

Zo'n universele taxonomie is geen sinecure en draait dus zelfs uit op een confrontatie met het optimisme dat duurzaamheid een kwestie van willen en doen zonder kiezen is. Toch is het de weg die we moeten gaan, omdat er simpelweg geen betere is.

Duurzame kortsluiting
Tijdens het Digital Food-webinar van 22 januari besprak Hans de Gier dit dilemma. Hij gaf verschillende voorbeelden van wat hij de Goodness Paradox noemt, de duurzame kortsluiting waarin bedrijven en consumenten kunnen belanden als ze niet kiezen tussen de ene en de andere duurzaamheidswens.

Stel, je wilt dierenwelzijn verbeteren, maar ook meer biodiversiteit bewerkstelligen. Je legt je daarom toe op biologische 3-ster kippen. De dieren kunnen vrij naar buiten, leven 20-35 dagen langer en zorgen met hun uitwerpselen buiten voor overbemesting van land waar niets op groeit terwijl hun voer geïmporteerd moet worden. In de stal zijn ze verantwoordelijk voor meer ammoniakuitstoot via hun uitwerpselen. Dat is slecht voor de natuur. Natuurbeschermers zijn daar dan ook tegen, maar willen tevens biologische landbouw en daar is toch echt biologische mest voor nodig. Kippenmest is bovendien vruchtbaar. Weg dus met die kippenboerderijen? Gekscherend gezegd: we kopen de boeren uit en eindigen met ingevlogen kip uit Azië en kunstmest waarvoor we een forse dot aardgas verstoken. En dat terwijl we in 2050 klimaatneutraal wilden zijn.

Een ander voorbeeld. De farmaceutische industrie wil ons flink langer laten leven door meer en betere medicijnen te maken. Dat zorgt via onze ontlasting voor meer medicijnresiduen in ons drinkwater. Dit is een gevaar voor het milieu, dringt door in ons voedsel en vormt een gezondheidsrisico dat het leven mogelijk weer verkort. Zijn medicijnresiduen en hun impact dus wellicht ook een factor om rekening mee te houden om te bepalen of de farmaceutische industrie ‘goed bezig is’?

De eerste vraag waar bedrijven en overheden voor staan blijkt deze: hoe kunnen we onze wens om het goede te doen omvormen tot coherente sets van eisen die goed zijn voor het klimaat, de natuur, dieren en mensen tegelijk?
Tot zover twee voorbeelden die de aard en omvang van het vraagstuk laten zien.
De eerste vraag waar bedrijven en overheden voor staan, blijkt deze: hoe kunnen we onze wens om het goede te doen omvormen tot een coherente set eisen die goed is voor het klimaat, de natuur, dieren en mensen tegelijk?

Stel, we gaan deze uitdaging te lijf door allerlei indicatoren los van elkaar te bepalen. We bepalen dan afzonderlijk hoe goed product X is voor het welzijn van dieren. Vervolgens bepalen we indicatoren die aangeven hoe goed product X is voor de natuur en het klimaat. En tot slot hoe het ons als mensen vooruit helpt. U hebt het inmiddels geraden: dat werkt niet omdat het leidt tot een hoge welvaart, biologische en diervriendelijke landbouw en 0-uitstoot terwijl die vier factoren zwaar met elkaar concurreren en een werkelijkheid opleveren die ons gezonde verstand zou moeten afwijzen. Toch doen we het op dit moment wel zo. Uiteindelijk zullen we moeten toegeven dat we geen set onderling vergelijkbare indicatoren hebben, laat staan een coherent model van duurzaamheid.

Industrie moet bottom up samen willen werken
Hoe kunnen in zo’n situatie bedrijven laten zien dat ze ‘goed bezig zijn’ en daar de beloning voor binnenhalen doordat consumenten voor hun producten kiezen en er misschien wel meer voor willen betalen?

Aan normeringen, standaarden en tags is geen gebrek. Ze zijn als paddestoelen de grond uitgeschoten. Nutri-Score, Planetscore en Ecoscore zijn de jonge loten aan de stam waaruit ook Beter Leven, MSC, ASC, PlanetProof en nog eerder Biologisch (als enige wettelijk vastgelegd) de industriestandaard GlobalG.A.P.en Max Havelaar voortkwamen.

La note globale voorziet ieder product van een cijfer tussen 1 en 100. De vraag blijft echter wat het eigenlijk precies betekent als je ‘68’ ziet staan
Hoe komen die scores en standaards tot stand? Wat blijft van hun betekenis over als je ze met elkaar confronteert van elkaar? Om dit probleem te tackelen probeerde Frankrijk La note Globale uit. Dit systeem voorziet ieder product van een cijfer tussen 1 en 100. De vraag blijft echter wat het eigenlijk precies betekent als je ‘68’ ziet staan.

Ook de EU is een top-down taxonomie aan het ontwikkelen, die definieert wat projecten en producten een specifiek terrein moeten bijdragen en wel zodanig dat ze tegelijkertijd geen schade toebrengen aan andere terreinen. Het zet ongetwijfeld stappen naar een betere wereld, maar doet niet wat het suggereert. Zolang we zitten met onvergelijkbare data, rommelen we maar wat aan en verdoezelen we het feit dat duurzaamheid een kwestie van kiezen is.

Maar eerst zullen we data uit verschillende bronnen vergelijkbaar moeten maken. Om dat mogelijk te maken moeten we een niveau (of meerdere niveaus) lager een informatiemodel willen maken dat definieert hoe een duurzaamheidsfeit wordt opgeslagen en waar het precies voor staat, zowel qua betekenis (wat duidt het aan?) als getalsmatig (welk gewicht hebben cijfers?).

Dit vereist een keten die samenwerkt om bottom up de benodigde data aan te leveren. Omdat het wereldwijd moet gebeuren - we eten tenslotte ijs met palmvet uit Indonesië en eten eieren van kippen die met Braziliaanse soja worden gevoerd - moeten bedrijven dat doen. De wereldwijde overheid of autoriteit die het ook op zich zou kunnen nemen, ontbreekt of heeft onvoldoende macht.


De opname van het webinar The Goodness Paradox met Hans de Gier in het kader van de serie Digital Food die Agrifoodnetworks.org en Foodlog.nl brengen is hieronder te vinden.

Wie wil aantonen 'goed bezig' te zijn heeft een taxonomie nodig om duidelijk te kunnen maken wat dat betekent. Dat systeem zal bovendien moeten werken voor alle industrieën, alle geografische regio’s en door de hele waardeketen - van grondstof tot product in de winkel of webshop en thuisaflevering - heen.

Dit betekent bijvoorbeeld dat de data die de voedingsindustrie nodig heeft om de recycling-waarde van verpakkingen te kunnen vaststellen uit hetzelfde systeem moeten komen als data over het antibioticagebruik van vleeskoeien in de VS.

Dat systeem moet getallen een eenduidige betekenis toekennen. Als op de verpakking van product X nu een recycle-symbool staat met 13% ernaast, wat betekent dit dan? Dat de verpakking bestaat uit 13% recycled materiaal? Dat het product zelf bestaat uit 13% recycled materiaal? Of dat 13% van het product 13% recyclebaar is?

Stel, dat het betekent dat 13% van het verpakkingsmateriaal recycled is en het gaat om een fles Kneipp douchegel. Dan moet je weten hoeveel procent van de dop van gerecycled materiaal is, hoeveel procent van de fles zelf, hoeveel procent van het papieren omslag. Je moet weten welk gewicht iedere variabele heeft ten opzichte van de andere. Pas al je al die informatie hebt, kun je een onderliggende berekening maken die de claim dat 13% van het verpakkingsmateriaal gerecycled is, ondersteunt.

En dan moet de werkelijk uitdaging nog beginnen: doen, het daadwerkelijk recyclen van verpakkingen. We willen immers kunnen zeggen: 'merk X doet het werkelijk goed, want zij recyclen 40% van hun producten terwijl merk B maar tot 32% komt'.

Een ander voorbeeld. Op een Nissan Leaf (een elektrische auto) staat: zero emission. Een mooie claim, maar wat betekent die? Het ligt voor de hand dat het opgaat voor het moment dat je ermee rijdt. Maar als je de batterij oplaadt met elektriciteit verkregen uit de verbranding van kolen, is de claim al een stuk lastiger thuis te brengen. Laat staan dat je weet hoe zero emission de productie van de auto is verlopen.

We hebben dus 1) duidelijke indicatoren, data points en berekeningen nodig, en 2) informatie over de levensduur en waardeketen waarin het product thuishoort. Vervolgens moeten deze gegevens gekoppeld kunnen worden aan betrouwbare feitelijke entiteiten, zoals merken, materialen, of locaties.

Industrieën, overheden en NGO's stellen eisen die het beeld nog complexer maken: bedoelen zij wat de echte data - als die er zouden zijn - zeggen? Het belang van een universeel taxonomisch informatiemodel is moeilijk te overschatten. De wereld komt inmiddels om van de tags en standaarden die helaas onvoldoende concreet, niet vergelijkbaar en vaak niet of onvoldoende onderbouwd zijn. Als bedrijven en overheden het maken van claims verder op hun beloop laten, zal een situatie ontstaan waarin niemand welke informatie dan ook nog vertrouwt omdat vele slimmeriken zullen wijzen op de tegenstrijdigheden en greenwashing die erachter schuilgaat.

Volgens De Gier is de uitdaging niet om één wereldwijde standaard te maken, maar om te komen tot een collectief van gebruikers van standaards, standaard-zetters en technology providers die de onderlinge vertaalbaarheid van hun standaards mogelijk maken. In vaktaal heet dat 'het faciliteren van interoperabiliteit'. Dat collectief kan slagen als het zelf buiten het spel blijft en alleen let op interoperabiliteit. Daarom adviseert De Gier:
- houd het agnostisch, ver van welk platform, welke organisatie, datastandaard of welke implementatie dan ook
- voorkom machtsconcentraties, zoals een ‘non for profit’-organisatie, die de exploitatierechten bezit (dergelijke organisaties zijn er volop en blokkeren daadwerkelijke belangeloosheid)
- laat het mondiaal van toepassing zijn
- accepteer en verwacht een variëteit aan standaarden (juist omdat die allemaal een eigen belang hebben, zou je die zelfs moeten aanmoedigen zich daar niet voor te schamen)
Dit artikel afdrukken