De meeste cacaobonen wordt geteeld in de Afrikaanse landen Ghana, Ivoorkust, Nigeria en Kameroen door boeren met kleine stukjes grond. Die kunnen alleen door het kappen van maagdelijk bos een paar jaar een aardige boterham verdienen. Om ook op de langere termijn lonend te kunnen werken, moeten ze echter duurzame landbouwmethodes toepassen zoals schaduwbeplanting, onderhoud van de bomen, bemesting en gewasbescherming. De investeringen die ze daarvoor moeten doen zijn alleen haalbaar als hun economische randvoorwaarden voldoende gunstig zijn en zij een prijs krijgen die voldoende stabiel en kostendekkend is. En daar ontbreekt het aan. Dat maakt dat reeds ontgonnen grond wordt uitgeput en cacaoboeren deels afhankelijk zijn van kinderarbeid en onderbetaalde migranten.

Keurmerken en programma’s als CocoaAction of het International Cocoa Initiative zijn onvoldoende. De premies die het Max Havelaarkeurmerk bovenop de normale prijs betaalt, kunnen uit concurrentieoverwegingen niet te hoog zijn. Bovendien gaat een deel op aan de kosten van certificering.

Nationale en mondiale verantwoordelijkheid
Om de cacaoteelt lonend te maken, moeten de cacao-producerende landen zélf hun verantwoordelijkheid nemen voor basisvoorzieningen als landrechten, kredietverlening en wegen. Maar daarmee is het probleem nog niet opgelost. De economie van arme landen moet zich kunnen ontwikkelen, zodat er meer banen komen en keuterboertjes alternatieven krijgen. Daarnaast moet er iets gebeuren om de internationale cacaoprijzen stabiel en lonend te maken. Dat gebeurt niet vanzelf. Een paar decennia geleden werd de mondiale cacaomarkt met een Internationale Cacao-Overeenkomst gestabiliseerd door buffervoorraden en handelsquota. De internationale cacaoprijzen waren toen veel hoger dan nu. Dat wil niet zeggen dat het systeem perfect was. Regeringen van cacaolanden roomden een te groot deel van de prijs af om hun schatkist te spekken. Nieuwe cacaolanden kregen te weinig quota en er ontstond een 'zwarte markt', waarbij cacaobonen in landen terechtkwamen die niet bij de overeenkomst waren aangesloten.

Vrije markt
Deze gebreken hadden gecorrigeerd moeten worden. De chocolade-industrie wilde echter goedkope cacaobonen, en onze politici hadden zich bekeerd tot het vrije marktdenken. In de jaren tachtig lieten de rijke landen de toenmalige cacao-overeenkomst onderuit gaan waardoor de wereldmarktprijs instortte. Pas na de eeuwwisseling trad enig prijsherstel op, maar dat bleef beperkt en de prijzen bleven erg instabiel. Ondertussen werden arme landen steeds meer gedwongen om hun grenzen te openen voor goedkope producten uit rijke landen en opkomende Aziatische economieën. Mede daardoor zijn de Afrikaanse landbouw en industrie in het slop geraakt, en zijn kleine boeren eenzijdig afhankelijk gebleven van exportgewassen als cacao. Dat moet anders.

Marktordening nodig
Momenteel spannen veel lokale politici zich in om hun gemeentes tot ‘Fairtrade gemeentes’ te bestempelen. Maar dat stelt alleen iets voor als ze ook proberen de handelspolitieke opstelling van hun landelijke partijvertegenwoordigers te beïnvloeden. Bijna alle partijen steunen nu de Economische Partnerschapsovereenkomsten waarmee Europa arme landen dwingt hun grenzen te openen voor onze producten. Ook de keurmerkenorganisaties moeten het roer omgooien: als zij hun zelfverklaarde doelen serieus nemen, dan zouden ze aan hun consumenten moeten uitleggen dat ordening van de internationale cacaomarkt nodig is.

Janneke Donkerlo
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


cacaobonen en bloesem
Cacaobloesem en -boontjes, Ivoorkust


Het latere idee dat de handel in fair trade producten zélf de oplossing zou zijn is onrealistisch. Deze vorm van commercie verkoopt consumenten een goed gevoel, maar daarvan kunnen cacaoboeren niet leven
Een ordening kan op verschillende manieren. Zo kunnen de cacaolanden afspreken om het resterende regenwoud grotendeels voor ontginning voor cacao te sluiten. Tegelijkertijd kunnen ze een exportbelasting invoeren om een gemeenschappelijke cacao-organisatie te financieren. Die kan met een deel van de opbrengst slechte cacao uit de markt kopen en zo de wereldmarktprijs verhogen. Met een ander deel kan ze uitgeputte en door ziektes aangetaste cacaoplantages laten rooien. Met een derde deel kan ze cacaoboeren in staat stellen om boerenbonden te versterken. Als de markt weer in evenwicht is kan de exportbelasting grotendeels worden teruggegeven aan de boeren, mits die aan bepaalde sociale en duurzaamheidscriteria voldoen. Terwijl boerenbonden en regeringen onderhandelen over hoeveel van de internationale cacaoprijs de regering maximaal mag inhouden voor de schatkist, blijft de gemeenschappelijke cacao-organisatie een voorraadbeleid voeren om de wereldmarkt te stabiliseren, en wordt nieuw overaanbod voorkomen door verhandelbare exportquota.

Eerlijk naar consumenten
Iets in deze sfeer moet gebeuren om de misstanden in de cacaosector echt aan te pakken. Als het de keurmerken echt te doen is om duurzame cacao en een leefbaar inkomen voor de boeren, dan moeten ze hun chocoladewikkels gebruiken om consumenten te wijzen op de politieke keuzes die gemaakt moeten worden. Dat was ook de oorspronkelijke bedoeling van de verkoop van fair trade producten: in 1970 begonnen de wereldwinkels rietsuiker te verkopen om consumenten op de noodzaak van een eerlijke internationale marktordening te wijzen. Het latere idee dat de handel in fair trade producten zélf de oplossing zou zijn is onrealistisch. Deze vorm van commercie verkoopt consumenten een goed gevoel, maar daarvan kunnen cacaoboeren niet leven.

Niek Koning is landbouweconoom in Wageningen, Janneke Donkerlo is publicist en onderzoeksjournalist
Dit artikel afdrukken