Lizet Kruyff
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


De handel in specerijen

Hoe zijn die kruidnagelen nu aan het Frankische hof in Metz verzeild geraakt in de zesde eeuw? De uit Alexandrië afkomstige handelaar Cosmas Indicopleustes beschrijft rond 550 in zijn Topographia Christiana het belang van de specerijenhandel, vooral die in kruidnagel en zoete aloë, in Ceylon, en de oogst van de peper in de heuvels van India. Indicopleustes, hetgeen zoveel wil zeggen, als ‘hij die naar India is gevaren’, beschrijft zijn persoonlijke ervaringen als handelaar die de Rode Zee en de Indische Oceaan bevaart aan het begin van de 6e eeuw. Hij is ook in Ethiopië en Eritrea geweest. En ofschoon het duidelijk is dat er directe handel was tussen de Romeinen en India vanaf de eerste eeuw van onze jaartelling, meldt Cosmas dat maar weinigen de reis ook echt ondernemen. Zijn ervaringen zijn nog tot in de 9e eeuw overgeschreven en gebruikt. Wat schrijft hij over de kruidnagel na zijn bezoek aan Ceylon (Taprobanê):
‘Dit is een groot eiland in de Indische Zee, de Indiërs noemen het Sielediba, waar je de hyacinth steen vindt. Het ligt aan de andere kant van het peperland. Er om heen zijn talrijke kleine eilanden die allen vers water hebben en kokospalmen. (…) Het eiland ligt op ongeveer vijf dagen en nachten varen vanaf het vasteland. Op het vasteland ligt Marallo, een markt waar ze xancus schelpen verkopen, (…), en dan, verder weg, is het kruidnagelland, en dan Tzinista (China), dat zijde produceert.’

Joodse kooplieden

Maar er zijn meer handelaars in specerijen. Denk aan de nazaten van de Joodse bevolking, die in de 8ste eeuw voor onze jaartelling naar Perzië in ballingschap werden weggevoerd. Perzië is dan een spin in het web van de handel tussen de westerse en oosterse wereld. De joodse bevolking kent beide werelden. Vanuit de Babylonische ballingschap zijn ze in Cochin, op de kust van India, terechgekomen. Zowel India als China zijn de bron van specerijen, als kaneel en cardemom, gember en galanga. Joodse handelaars reizen ook naar China, beladen met Westerse koopwaar en komen terug met een veelheid aan exotische producten. Een geografische verhandeling, het Boek van Wegen en Koninkrijken, van de hand van Abu Abdullah-al-Bakri Ibn Khurdadhbih, de manager van de post- en informatiedienst van de provincie Media, beschrijft in de 8ste eeuw enkele routes en producten van deze Rhadanieten, (reizende Joodse kooplieden, genoemd naar een buitenwijk van Bagdad, al-Rhadaniya):
`Ze spreken Arabisch, Perzisch, Frankisch, Andalusisch en Slavisch. Ze reizen van Oost naar West en van West naar Oost zowel over land als zee. Uit het westen brengen ze volwassen slaven mee, maar ook jongens en meisjes, brocade, beverbont, huiden, allerlei bontsoorten, sabels en zwaarden. Ze varen vanuit het land van de Franken aan de Middellandse Zee en koersen naar a-Faruma, de meest oostelijke tak van de Nijl. Dan Reizen ze per lastdier naar de al-Qulzum aan de Rode zee en schepen in om naar Medina en Jeddah te gaan, waarna ze naar de Indus vallei reizen en naar India en China. Uit China brengen ze muskus, parels en edelstenen mee terug, evenals aloëhout, kamfer, kaneel en andere producten.’
Je mag aannemen –zoals hieronder zal blijken – dat er ook kruidnagelen bij hebben gezeten.

Rechtstreeks naar de Molukken
Aan het begin van de 8ste eeuw varen de Arabische en Perzische zeelieden voor het eerst rechtstreeks naar de Molukken. De toevoer van exotische specerijen wordt al wat gemakkelijker. Het is 716. De nieuwe koning van Neustria, Chilperic II (* 672 - koning van 718-721, laatste Merovingische koning), staat de levering van een lading specerijen aan het klooster van Corbie in Picardië toe, waaronder een pond kaneel, twee pond kruidnagelen en dertig pond peper. De Engelse monnik, theoloog en geschiedschrijver Beda laat na zijn overlijden in 735 verschillende specerijen na aan zijn medebroeders, waaronder kruidnagelen. Het is een zeldzame verwijzing naar deze specerijen op de Britse eilanden.

Op de markt in Mainz
Kruidnagelen gaan langzaamaan een belangrijk en gewaardeerd handelsartikel worden. Als altijd sijpelen alle modesnufjes van het hof langzaam door naar de burgerij. Maar de hoeveelheden zijn nog niets vergeleken bij de hausse van de volle middeleeuwen.
Op bezoek in de stad, ziet de dokter-koopman Ibrahim-ibn Yaacub, Abraham ben Jacob van Sefardisch Joodse afkomst, in 937 kruidnagel, gember en peper en andere Oosterse specerijen op de markt te koop aangeboden. De specerijen zijn naar Mainz gebracht door Joodse reizende kooplieden, Rhadanieten, die de internationale handelskanalen openhouden in de drie eeuwen van kruistochtconflict tussen de Christenen en de Islamitische wereld.
Kruidnagelen blijven overigens zowel in de medicijnkast als in de keukenkast staan. Hildegard van Bingen bespreekt rond 1100 de kruidnagel in haar werk over medicinale planten. Zij bakt kalmerende koekjes van spelt, kaneel, nootmuskaat, kruidnagel, amandelen, boter en ei. En verder beveelt ze aan kruidnagelen te gebruiken bij oorsuizingen, en de bonzende hoofdpijn die meestal het gevolg is van te hoge bloeddruk. Meer culinaire middeleeuwse toepassingen in een volgende aflevering.

Dit artikel afdrukken