Bijna de helft (47%) van de Nederlandse varkenshouders wil krimp van de varkensstapel. In gebieden waar burgers overlast ervaren, blijkt zelfs 80 procent van de boeren voor krimp. Dat schrijft boerenblad Nieuwe Oogst, een publicatie van boerenkoepel LTO Nederland.

Bijna vierhonderd varkenshouders namen deel aan een enquête van het Nieuwe Oogst Opiniepanel. Het onderzoek wilde peilen hoe zij staan tegenover het hoofdlijnenakkoord warme sanering varkenshouderij. Daarin is €120 miljoen beschikbaar voor stoppende boeren en nog eens €40 miljoen voor innovaties die de doorgaande een betere concurrentiepositie moeten opleveren.

Het belangrijkste motief van de voorstanders van krimp is het vergroten van de overlevingskansen voor de blijvers.

Brabant en Limburg tellen de meeste boeren die de stoppers en innovatieregeling alleen voor hun provincies willen laten gelden
Stoppen om imago te verbeteren
Minder varkens in belaste gebieden betekent minder overlast, noteert Nieuwe Oogst hun mening. "Minder overlast is voor veel varkenshouders synoniem voor een beter imago." Tachtig procent van de boeren in heel varkensdichte gebieden blijkt voor het akkoord. Nieuwe Oogst vroeg Ingrid Jansen, tot voor kort voorzitter van de Producenten Organisatie Varkens (POV), hoe ze die bereidheid verklaart. Jansen: "Bedrijven die geuroverlast veroorzaken, ervaren de meeste maatschappelijke weerstand. De regeling is er juist voor om middels sanering en innovaties maatschappelijke weerstand weg te nemen. Dat moet ten goede komen aan de hele sector. Het is mooi om te zien dat deze zienswijze binnen de POV zo breed wordt gedeeld."

In het Westen en Noorden van Nederland zijn boeren in ruime meerderheid voor sanering. In het Zuiden en Oosten, de meest varkensdichte provincies, is die bereidheid kleiner. In Noord-Brabant, veruit de meest varkensdichte provincie van ons land (50% van de Nederlandse varkens), ligt die het laagst van heel Nederland (42%). Niettemin staat in totaal 47% van de Nederlandse varkenshouders positief tegenover krimp.

Dick Veerman
Word lid

Fijn dat je Foodlog leest! Dit artikel is gratis. Wil je dat wij kunnen blijven bestaan? Steun ons dan en word lid. Dat kan al vanaf €5,- per maand.


De provincies Noord-Brabant en Limburg tellen de meeste boeren die de stoppers- en innovatieregeling alleen voor hun provincies willen laten gelden. In die provincies zijn de meeste gevallen bekend van boer-burger conflicten rond overlast en uitbreiding.

Ondertussen gaat de schaalvergroting in de varkenshouderij onverminderd voort
Voorts valt op dat de grootste bedrijven het minst aan stoppen willen denken. Zij zien kleinere Nederlandse varkensboeren het liefst uit de markt vertrekken om bedrijfseconomisch vooruit te kunnen. Gebeurt dat niet, dan lopen de kleine boeren de grote voor de voeten en beperken de kleinere de toekomstkansen van de grotere. Hoofdredacteur Patrick Kramer van Nieuwe Oogst benoemt de realiteit: "Ondertussen gaat de schaalvergroting in de varkenshouderij onverminderd voort. In 1950 telde Nederland 271.000 bedrijven met varkens, vooral gemengde bedrijven. In 1980 42.000, in 2000 15.000 en momenteel circa 4.000. Die daling zal gezien de trends doorzetten, waarbij de blijvers onverminderd inzetten op schaalvergroting en inpassing in de omgeving, maar bovenal marktgerichter opereren."

Tweede enquête
Die onvermijdelijke trend is op Foodlog al jaren geleden in verschillende afleveringen zo beschreven. Boeren blijken nu ook wat verder in hun denken en plaats te willen maken voor de grotere die kunnen overleven.

€120 miljoen is een druppel op de gloeiende plaat van nog uitstaande kredieten
De vraag is nu hoezeer het saneringsplan kan helpen. €120 miljoen is een druppel op de gloeiende plaat van de nog uitstaande kredieten. €40 miljoen voor innovaties is al evenmin een bedrag dat veel verschil kan maken in de qua kostprijs dure en op de thuismarkt weinig gewaardeerde Nederlandse varkenshouderij met allemaal los van elkaar opererende boeren. Voor je het weet is de som verbrand aan alweer Wagenings onderzoek dat ook in het verleden geen soelaas in de vorm van toegevoegde waarde bracht.

Het geld kan vermoedelijk het best gebruikt voor de vorming van hechte ketens met verwerkers en detaillisten, waarin de drie partijen waarde aan elkaars functie in de markt toevoegen. Daarin kunnen Nederlandse boeren onderscheid en loskomen van hun afhankelijkheid van de internationale varkensvleesprijzen waar ze op termijn steeds lastiger mee kunnen concurreren. Zolang ze hele karkassen buiten de EU moeten verkopen door het ruime, maar niet onderscheiden volume dat ze maken, is dat economisch gezien geen haalbare kaart meer. Internationale kostprijzen liggen tot tientallen procenten lager.

Of de boeren al aan ketenvorming toe zijn? Nieuwe Oogst zou er een tweede enquête aan kunnen wagen.
Dit artikel afdrukken