Jan-Willem van der Schans: ‘Ruimtelijke Eetordening Nederland loopt achter’
Over stadslandbouw zijn inmiddels echte, Internet- en wetenschappelijke kranten volgeschreven. Over hun warmste Nederlandse pleitbezorger Jan-Willem van der Schans, spreker 2 in aflevering 2 van de Rode Hoed over eten, nog niet.
Dr. Van der Schans is ‘veranderingsonderzoeker' bij het LEI. Hij studeerde aan de Erasmus Universiteit en promoveerde bij de bestuurskundige Professor Jan Kooiman en niet bij Cees Veerman, onze latere landbouwminister, zoals Felix Rottenberg de zaal vertelde. Veerman voorzag zijn proefschrift wel van commentaar.
De afgelopen jaren sprak ik Jan-Willem regelmatig. Inmiddels noem ik hem de leukste intellectueel in landbouw Nederland vanwege zijn betogen vol ironie.
Intellectueel? Hij is ook een doener en woont in Delfshaven, een achterstandswijk. Zijn medeoprichterschap van Eetbaar Rotterdam getuigt van zijn Rotterdamse mentaliteit. Vakmatig moet’ie lullen, maar poetsen doet’ie ook. In heel aardse projecten.
Stadslandbouw gaat niet alleen over eten
Volgens Amerikaanse definities is alles in Nederland stadslandbouw omdat alle landbouw in Nederland nooit verder dan een paar tientallen kilometers van een stad ligt. Niettemin voeden we daarmee mensen over de hele wereld, want we maken voor vele Nederlanden aan eten. Toch is stadslandbouw in Nederland voor Van der Schans iets nieuws en belangrijks. In zijn presentatie laat hij een plaatjes zien van steden met stadslandbouw. Van Vancouver, via Toronto tot London. Maar ook van Rotterdam en London tijdens WO II. Aan de Coolsingel blijkt graan verbouwd te zijn. In London werden moestuinen aangelegd in bomkraters.
Toch is dat allemaal informatie die afleidt van de boodschap. Van der Schans denkt niet alleen aan voedselproductie om de wereld te redden. Hij denkt aan de stad en zijn mogelijkheden en problemen. Stadslandbouw verbindt mensen, met elkaar en met hun eten. De druiven die hij boven zijn voordeur teelt werden tot tweemaal toe door de plantsoenendienst als onkruid verwijderd. Nu ze groeien trekken zijn allochtone buren ze door naar de buurhuizen. Ook al verstaan ze elkaar slecht, ze verzorgen ze samen en maken samen nieuwe tuiniersprojecten die leiden tot vers voedsel voor (bijna) niets. Zonder 'foodmiles' en verbouwd met het grootst mogelijke respect voor zowel de buren als de producten.
Hij vertelt over het ’kraken’ van de Rotterdamse Marconistrip, die braak ligt en door stadslandbouw aantrekkelijker wordt voor de projectontwikkelaar die er over flink wat jaren huizen wil bouwen. Hij vertelt over steden die aantrekkelijker worden als ze niet alleen nutteloos, maar juist ook eetbaar groen herbergen en mensen verbinden door hen een rol te geven in de productie ervan. Kansrijke en kansarme. Rijke en arme. Het produceren van eten verbroedert. Van der Schans vertelt over de zogenaamde ‘food deserts’ in de VS, binnensteden waar geen vers eten meer te koop is, omdat het dominante aanbod bestaat uit pakjes, bakjes en zakjes eten waar we zo flink van uitdijen. Zo worden achterbuurten ook eetachterstandswijken.
Dat allemaal is te veranderen met stadslandbouw, die, zoals Van der Schans met de Duitse landbouwtheoreticus Von Thuenen in de hand laat zien, van oudsher bij de stad hoort en niet in een heel ver weg en verstopt achterland. Houdbaar, zoals bijv. graan, kwam van verder. Het meest kwetsbare fruit, groenten, melk, varkens en eieren kwamen van zo dichtbij mogelijk.
Buitenland doet iets anders dan wij
Nederland loopt achter bij die andere steden, betoogt Van der Schans. De bedenkers van de Ruimtelijke Ordeningsplannen voor London en Toronto willen groene landbouwsteden niet alleen om hun ‘groene aantrekkelijkheid’ te waarborgen, maar ook om niet afhankelijk te zijn van boontjes uit Afrika, paprika's uit ons Westland, appels uit Nieuw-Zeeland, nectarines van steen uit Spanje, varkens uit de VS en China en runderen uit Zuid-Amerika. De gemeentebesturen van deze steden vinden dat hun inwoners zowel het belang, als het comfort en hun betrokkenheid bij eten van dichtbij moeten kunnen ‘voelen’. Ruimtelijk Eetordening maakt een wezenlijk deel uit van de ruimtelijke ordeningsplannen van deze steden.
In Nederland ligt dat anders. Hier wordt multifunctionele Ot & Sien landbouw gepromoot rond de steden om burgers en hun kinderen gezellig in een ouderwets landschap te kunnen laten fietsen, boerengolfen of slootje te springen. De koeien, akkertjes en tuinderijen zijn decoratie. Het moet er een beetje gezellig uit blijven zien en bovendien moet het land onderhouden worden. Onze Ot & Sien
boeren zijn een eigentijdse vorm van plantsoenendienst in en om de steden. Hier speelt de voedselkant voornamelijk dezelfde symbolische rol als een vakantiefolder.
Will Allen
Van der Schans noemt het voorbeeld van de zwarte Amerikaan Will Allen die met zijn stadsboerderij Growing Power de stad Milwaukee bij de productie van voedsel en de totale cyclus van de voedselketen weet te betrekken. Allen verwerkt stadsvuil tot buitengewoon vruchtbare compost die geliefd is in de gehele VS. Met slimme, goedkope constructies weet hij vormen van elkaar onderling versterkende vis- en groenteteelt te komen die hogere rendementen leveren dan gangbare intensieve landbouw. Het grote verschil met die landbouw is de zichtbaarheid en betrokkenheid van mensen uit de buurt die meehelpen om het voedsel te verbouwen. Direct na het volkscollege van Van der Schans kwamen er commentaren als zouden dit soort vormen van landbouw ‘knuffelprojecten’ zijn. Ze missen de boodschap.
Stadslandbouw heeft het sociale en gezondheidskundige doel om mensen met elkaar te verbinden rond voedsel en hen te laten zien hoe mooi en boeiend teelt is. Het voedsel dat daaruit resulteert is niet anoniem en 'om het even' meer, maar heeft betekenis gekregen. Het krijgt een 'verhaal' - geen kletsverhaal, maar zicht- en letterlijk tastbare werkelijkheid - en laat mensen op zoek gaan naar meer eten met een dergelijke betekenis.
Het leidt tot echt eten. Gezondheidslogo’s zijn niet meer nodig.
Serieuze, intensieve landbouw
Tegelijk is het heel serieuze landbouw, omdat het bij onwaarschijnlijk lage kostprijzen hogere rendementen behaalt dan ‘gangbaar intensief’. Als gevolg van directe verkoop en hulp van vele handen uit de buurt die beloond worden met gratis eigen voedsel zijn de kostprijs en verkoopprijs voor uiterst vers voedsel laag. Helaas ontbrak de tijd om te discussiëren over de complementariteit van deze kennelijk qua rendementen zeer volwassen vorm van landbouw met de 'gewone' intensieve landbouw.
Aan het einde van zijn college presenteerde Van der Schans het rechtsfilosofische vrijhandelsprincipe van de 17e eeuwse Nederlandse rechtsgeleerde Hugo de Groot.
Het komt erop neer dat iedereen het recht heeft op keuze en goede producten. De toegang tot goed voedsel mag niet worden afgesloten. Will Allen opent die toegang weer in de stad. Kansarmen eten gratis of tegen zeer geringe kosten bij hem. Onderwijl heeft hij een wonderbaarlijke geïntegreerde gemengde tuinderij met verschrikkelijk hoge rendementen.
De al genoemde 'kraak' van de Marconi-strip voor stadslandbouw initieerde Van der Schans mede vanuit de klassieke Grootiaanse vrijhandelsgedachte. Al zullen het geen intellectuelen zijn, de vastgoedontwikkelaars die het terrein in de toekomst willen gaan bebouwen zijn ermee in hun nopjes.
Van der Schans is een bijzonder mens. Een rebelse intellectueel die werkt aan ons eerbare Landbouw Economisch Instituut en zowel een denker als doener is. Zo te zien staat hij op een heel levend spoor.
De zaal barstte niet in juichen uit, maar pakte waarschijnlijk de implicatie niet meteen van het antwoord van Rudy Rabbinge op een vraag van gespreksmoderator Felix Rottenberg. Rabbinge toonde zich een voorstander van nadrukkelijke toepassing van de vrijhandelsprincipes van Hugo de Groot in zijn ‘grote landbouw’. Daarmee bevestigde hij het recht van de consument op vers voedsel en een diversere keuze in plaats van een door economische belangen alleen bepaald winkelaanbod. Als burgers het willen, mogen zij dus de toegang tot de markt eisen van nieuwe aanbieders die onterecht buiten de deur worden gehouden door de dominante partijen. Dat betekent nogal wat.
Reacties (28)
Ik ben een warm voorstander van productie dichter bij de stad. Dat is de reden waarom ik in Den Haag samen met Stroom in het project foodprint: varkens in de stad heb geagendeerd.
Een van mijn belangrijkste drijfveren is ervoor zorgen dat de productie onder de ogen en voor de voeten van de burger gebeurt. Dan kan de relatie met de burger/consument weer hersteld worden. Zo krijgen burgers weer zicht op de oorsprong van hun voedsel.
In mijn varkensboerderij is er een directe relatie met de stad. Uit het afval van de stad kan biogas worden gemaakt. Hiermee kan de stad verwarmt worden. Plantaardige afvalresten kunnen ook aan de varkens worden gevoerd.
Uit de reacties die ik krijg, constateer ik dat het nog wel een hele weg is voordat er we iets realiseren. Het idee roept bij velen onderbuikgevoelens op: van niet in mijn achtertuin? Maar waarom niet? Juist als iets in je achtertuin is, dan heb je de meeste invloed en kun je zien wat er gebeurt.
Natuurlijk snap ik ook wel dat we niet alle varkens in de directe buurt van de stad kunnen gaan houden. Maar één varkensboerderij bij een stad als Den Haag moet kunnen!
Bij mij resoneert het ‘growing communities’. Nuttig en nodig, om steeds goed te kijken naar lokale sociale cohesie. In de stad, op het platteland. Het oude gemeenschapszin is via het begrip Communities in een heel nieuw licht komen te staan dankzij the social web.
Bijvoorbeeld: kunnen lokale /online/ communities de IRL (in real life) gemeenschappen versterken? Door een deel van de interactie online te halen, maak je het zichtbaar, vindbaar en toegankelijk.(toegankelijk: zowel breder als dieper)
Kan dit bijdragen aan lokale economie, lokale/regionale nutrientenkringlopen, sociale ontwikkeling? Kan het zelf-financierend? Kan zo’n online gemeenschap een soort bedrijf(je) zijn en wellicht zelfs taken als regio-journalistiek overnemen? (nu alle regiobladen ineenstorten)
Wat mij betreft hele spannende gedachten. Voedsel maken, verhandelen en kringlopen sluiten kán heel goed een van de ‘projecten’ zijn die als bindmiddel dienen voor de gemeenschap. Maar ‘growing communities’ kan ook via andere themas, zolang het de mensen beweegt en bindt. En andersom, slimme kringloop landbouw kan wat mij betreft ook verder van steden. Dat is dan weer goed voor de werkgelegenhied op het platteland.
En a als het nu eens gewoon gevarieerder, goedkoper, bereikbaarder en meer voedsel opleverde?
Nick, in de meest doodgewone woorden is dat precies het gevolg.
Frambozen, bijvoorbeeld, kosten opeens nog maar een fractie, terwijl je kunt eten van 25 varianten. Zelfs een dubbeldoelkip - in vele gedaanten, w.o. die goeie ouwe Barnevelder - wordt weer denkbaar zonder dat’ie 50 euri gaat kosten.
Dick, tenzij je zelf (veel) plaats hebt om eigen kippenvoer te kweken, valt dat erg tegen, die prijs van een zelfgekweekte kip, cfr. mijn eigen ervaring van een jaar geleden. Maar erwten, boontjes, courgetten en waterkers: dat wel, ja.
Nick, fantastisch, dan is dat toch reden om het onmiddellijk ook op het platteland te gaan doen? Maar ik vermoed met jullie dat het vooral voor tuinbouw produkten geldt.
Ik proef het hier al, de gedachte: “stadlandbouw is zoveel nobeler dan gangbaar”. De bewuste consument doet aan knuffellandbouw (met de token kansloze) en uitstekend gangbaar is opeens “meuk”?
Waarschuwde Fresco daar niet ook al voor?
Nick, natuurlijk, er komen geen 400.000.000 slachtkippen uit stadslandbouw, zoals nu uit Nederlandse kippenhouderijen. Maar die paar die er wel uitkomen, wat kosten die als er een gedeeltelijke freeconomy ontstaat waar je - af en toe - en als bijzonderheid zo’n smikkelkip van krijgt? Verkoop je ‘m aan iemand wat dure straten verder, dan vang je er goed geld voor.
Ook stadsboeren moeten wat handel drijven met die Ot & Sien boeren die ons fietslandschap onderhouden met akkertjes tarwe en mais.
Als stadslandbouw gelijk staat aan voedsel maken in gesloten kringlopen op een betrekkelijke kleine schaal (100 a 300 km?) dan ben ik voor (want dan zijn vanaf nu alle Nederlandse boeren en tuinders met stadslanbouw bezig). Voor mij verwijst het woord “landbouw” in “stadslandbouw” naar iets dat ervoor kan zorgen dat alle Nederlanders gevoed kunnen worden.
In de versie van Jan-Willem -stadslandbouw in Rotterdam- geloof ik niet serieus. Ja als hobby, ja als informatie-plarform, ja als sociale activiteit. Maar niet als een serieuze poging om alle Nederlanders te voeden. Daarvoor vind ik het verzorgingsgebied (letterlijk de stad) te klein. Neen, wat mijn betreft zijn het knuffelprojectjes. (of zoals Josien zo mooi schrijft knuffellandbouw).
@ Dick, de freeconomy bestaat niet. Het concept is bedacht door ICT’ers die in bits & bytes denken. Gelukkig bestaat onze wereld gewoon uit “atomen & moleculen”.
Tuinieren achter en om het huis is m.i. nu al een belangrijke economische sector, alleen verschijnen die producten niet op een openbare markt. Ik heb een uitgever die bijzonder veel zelf teelt, en dat naast zijn drukke werk: kippen, ganzen,n pruimen, poivrons en asperges, noem maar op. Niemand becijfert wat dat als economische factor betekent, maar het stelt wel een virtueel fortuin voor, dat buiten de markteconomie blijft.
Duizenden mensen hier in Brussel, vaak arbeiders, hebben bloedserieuze volksuintjes, waar volume af komt (niet zoveel in een droog jaar als dit, maar kom). De mogelijkheden worden hier beperkt door betaalbare tuingrond. meestal zijn dat hier tijdelijke stukken reserve schaarse bouwgrond, die elk moment onteigend kunnen worden. Daar moet het efficiënter. De daken, de voortuintjes, de spoorwegbermen moeten weer onder de boontjes.
Inderdaad is vrijwel heel Nederland dan al stadslandbouw. En moet je weten wat er voor wet en regelgeving is ontstaan die diezelfde stadslandbouw nog verder uit of van de stad wil hebben.
Krijgen die projecten van stadslandbouw vrijstelling van al die beperkende regels?
Gaan buren dan opeens niet meer klagen of kraaiende hanen of onwelriekende composthopen?
Denkt men, zelfs met vrijwilligers, in ecosystemen goedkoper uit te zijn tegenover de supers?
Dan speelt op de achtergrond ook nog de mentaliteit van minder sociale landgenoten mee. Denk je “ha, morgen ga even mijn kippen of konijnen slachten” kom je bij het hok en zijn ze al verdwenen.
Een vraag aan Wouter de Heij: wat is een gratis economie waard die - zeg eens - 15% van het aanbod uit winkels trekt en die zelf een niche met kwaliteitsproducten invult ter grootte van 15 heel betaalbare en lekkere procenten?
Als supermarktbaas of traiteurslager zou ik bij de VWA gaan vragen of het wel allemaal klopt.
Het gaat over de transitie van systemen. Maar nu zijn systemen star en worden ze vaak door politiek, technologie en instituties gedomineerd. De kans dat veranderingen vanuit het systeem plaatsvinden is gering.
Meestal zie je de innovaties van buiten het systeem ontstaan.
Waarschijnlijk kan urban farming niet de Nederlandse bevolking voeden, laat staan de hele wereld. Maar de inspiratie en de invloed die het zou kunnen hebben op het ‘traditionele’ systeem zou wel eens aanzienlijk kunnen zijn.
Zeker als we dat nog wat bevorderen. Dat had ik afgelopen woensdag graag nog wat meer gezien. Misschien moeten we Rabbinge en van der Schans nog maar eens bij elkaar zetten.
@ Dick, ik begrijp je vraag niet. Wat bedoel je nu precies? Naar welke stuk informatie verwijs je met je opmerking “ als supermarktbaas ..... of het wel allemaal klopt”.
@ Jan Peter, helemaal mee eens. Meestal ontstaat vernieuwing vanuit buiten. Urban farming als inspiratiebron (net zoals biologisch voor de conventionele landbouw als inspiratiebron dient), heeft denk ik ook toegevoegde waarde.
Wouter, ik bedoel dat het voorstelbaar is dat wellicht tot zo’n 30% van de versconsumptie van een land tegen lage kosten en met een grote mate van onderscheidendheid in steden kan worden geproduceerd. Een deel wordt geproduceerd in ruil voor vrijwillige ruilarbeid (voor producten, als leuke en boeiende tijdsbesteding) een deel is commercieel.
Die arbeid is een interessant punt. Volgens Louise Fresco wil niemand meer werken als boer. Als ze nou eens ongelijk heeft? Experimenten als die van Allen wijzen daarop. Zeker als ze hun weg ook vinden naar het grote boeren- en tuinderswezen zoals jij en Jan Peter zojuist suggeren. Dan worden - zeker in stadslandbouwland Nederland - heel andere vormen van organisatie denkbaar. Zeker als je ze ook nog eens combineert met een boerensuper.
Hoe? Daar moet je verder over praten en vooral dingen voor starten. Wel vermoed ik dat de totale productie afneemt (we maken lokaal veel te veel) en de diversiteit geweldig toeneemt, terwijl zowel consument als boer en verwerker erbij winnen omdat de consumentenprijzen niet stijgen maar de opbrengsten voor boer en verwerker wel.
Ik twijfel er aan of het wel 30% van de productie zou kunnen vervangen.
Ik denk dat we op veel meer plekken ook voedsel kunnen produceren dan we nu doen. Waarom planten we geen fruitbomen in de plantsoenen in de stad? Of naast de weg? In een plantsoen kun je ook bijvoorbeeld aardbeien of bessenbossen planten in plaats van het zoveelste bosje. Plant meer notenbomen aan. Ik vind niets mooier dan in de herfst (met je kinderen) te gaan wandelen en dan noten te zoeken?
Als je in de winter de noten eet, denk je nog aan de mooie wandeling op zo’n mooie hersfstige dag als vandaag.
We zouden eens met de eenvoudige dingen kunnen starten. Dan kan er meer volgen als we mensen enthousiast maken. Het is belangrijk om de verbinding met de productie van voedsel te herstellen.
Een hilarisch verhaal over fruitbomen (en kip) in de moderne stad: “Kip met peren”, auteur W. Klootwijk.
Annechien, ik dronk vorige week een fles wijn uit 1990 van een hele grote wijnboer onder de rook van Narbonne (goed gefinancierd en al door de Franse Rabobank; een slimme marketeer bovendien, Paris-Dakar reed er al een paar weg) die alleen maar gebruik maakt van vrijwilligers. De wijn was nog uitstekend en fietst menige snoever eruit.
Zijn geheim: hij leidt jonge mensen met MBD (minimal brain damage) op tot bruikbare krachten. Zij vinden dat geweldig. De overheid en zorg vinden het geweldig. De bank vindt het geweldig. En ik - als klant - ook. Er zijn maar weinig Corbières-wijnen die het zo lang uithouden en dan ook nog eens pertinent lekker zijn. De wijn is helaas nog behoorlijk prijzig ook. Omdat hij het kwalitatief waard is.
Hoeveel jonge mensen willen niet iets leren over planten en dieren en er op tijdelijke basis in werken? En hoeveel oudere, met hele goeie banen zelfs?
Onvoorstelbaar? Kweenie, al zet het veel op z’n kop.
Ik gok op de volgende AGF verdeling in de toekomst:
- 5-8% biologisch lokaal geproduceerd
- <5% stadslandbouw conform definitie van Van der Schans (dus echt kleinschalig bij een stad).
- 25% onderscheidend duurzaam conventioneel (bv streekproducten, niches)
- 40% gewoon duurzaam conventioneel (bulk industrieel)
- 25% overig : conventioneel / industrieel uit het buitenland
Het is nu eenmaal een feit dat juist de landbouw een plek is waar mensen met een handicap goed kunnen werken. Daarom zijn er zorgboerderijen. Maar daar dreigt het gevaar dat de relatie met de echte productie verdwijnt. Ik vind dat jammer omdat juist die productie zingeving geeft. Dat schept de verbinding. Als die productie wordt verlaten, geef je een essentieel deel weg.
Op kleine schaal kan dat ook. Bij ons werkt een jongetje dat is ‘komen aanlopen’. Op school en in het dorp niet te hanteren. Thuis sloeg hij de boel soms kort en klein. Eerst kwam hij stage lopen. Nu doet hij betaalt werk bij ons. Hij is blij met zijn werk. Hij maakt geen ruzie meer thuis en in het dorp (of in elk geval minder). Een jongen met beperkte mogelijkheden staat weer goed in de wereld. Daar word ik blij van. Dat kan ook in de landbouw. Juist daar.
Voor de stadse landbouw kan dit op dezelfde manier werken. De zin van het voedsel weer zien. Weer met de beide benen op de grond staan.
Dan zouden die 45-48% uit Wouter’s eerste 3 lagen wel eens meng-eigenschappen kunnen hebben van de Will Allen’s, mijn Narbonese wijnboer en iets waar juist boeren als Annechien wellicht nog meer aan gaan denken als ze nader geïnspireerd raken. Vlak varkens en kippen niet uit bij de stad, zoals ze hierboven zelf al aangaf.
Ik neem aan dat je het hebt over binnenlandse consumptie. De vraag is dan ook hoeveel export er nog zit op die 40% ‘gewoon conventioneel’.
Overigens, Wouter, 5% dat is zo groot als supermarkt Jumbo in Nederland.
Annechien: ik zou zelfs de vormen niet uitsluiten waarbij goed opgeleide en goed betaalde mensen in nieuw te verzinnen werkvormen een commerciële boerderij mee komen ‘verzorgen’. Volkstuinen zijn - zoals Nick voor België/Brussel aangeeft - ook in Nederland ‘hot’ voor juist die groep.
Waarom? Ze willen meer weten en ervaren door te doen. Het zijn de mooiste reclamemakers: ze vertellen hun familie en vrienden gewoon wat ze doen, wat er gebeurt en hoe het zit. En die vertellen het ook weer door. Opeens worden dingen weer ‘gewoon’, waarover hierboven in de ‘Rabbinge-draad’ nog gepiept werd als zouden consumenten het niet meer kunnen begrijpen.
Ik zou bij de Chinezen informeren of die nog smakelijke recepten hebben met ratten, en dan bedoel ik de echte, omdat ze in de grote steden nu al niet van die beestjes afkomen.
Bij uitgebreide stadslandbouw zoals die hierboven beschreven wordt, kun je er vergif op in nemen dat die er voldoende gefokt worden. In Hamburg b.v. schat men hun aantal al boven de 4.5 miljoen en de middelen om ze te liquideren worden steeds ongevoeliger.
Bij steden als Deventer, Zutphen, Kampen, maar ook Arnhem en Nijmegen had je zo’n 100 jaar geleden echte stadstuinbouw. De stad lag aan de ene kant van de rivier de tuinders zaten er recht tegenover en zowel bij Deventer als Zutphen heten deze wijken de Hoven. Helaas is de tuinbouw daar tegenwoordig voor een groot deel verdwenen, bij Deventer is er bij mijn weten nog één teler die op marktdagen met zijn uitgebreid assortiment naar de stad komt. Tuinbouw en stad zaten pal naast elkaar maar hadden behalve de verkoop weinig directe contacten.
De moderne variant van de “stadslandbouw” bestaat natuurlijk al een tijdje, in de vorm van biologische pakketbedrijven en in zijn meest uitgesproken vorm als pergolabedrijf, bijv. de Oosterwaarde bij Deventer. Bij dit model zijn er een groep gezinnen die een aandeel hebben in de opbrengst van het komende seizoen. Het seizoen kan héél gunstig zijn voor pompoenen, (je krijgt dan heel veel pompoenen) en de worteltjes kunnen mislukken (een jaar geen bospeen). De deelnemers zijn oha actief als vrijwilligers en er is een grote betrokkenheid van stedelingen bij de landbouw. Eigenlijk komt dit het dichtst bij dat wat van der Schans bedoeld.
Bij dit soort bedrijven schat ik in dat één vaste kracht nodig is voor 75 tot 100 gezinnen, die ondersteund wordt door minimaal 10 tot 20 vrijwilligers. En er is minimaal 2 hectare vruchtbare grond voor nodig, die flauwekul verhalen over die superprodukties die te behalen zijn bij stadslandbouw horen hier niet thuis. Als je 30% van de versproductie uit de stad wilt halen, moet je in het geval van Deventer dus 200 hectare vruchtbare grond vinden in een straal van 10 km rond de stad plus 200 vaste medewerkers en 1000tot 2000 vrijwilligers.
Over peren (zonder kip). In Burgh-Haamstede (Schouwen), zijn de straten in het centrum gesierd met appel-en perelaars. Op persreis aldaar, heb ik mij laten vertellen dat de bomen jaarlijks individueel worden toegewezen aan bewoners (door veiling of loting, ik weet het niet precies meer), die bewoners mogen dan ‘hun’ bomen oogsten. De voordelen zijn legio: de mensen hebben plots heel wat meer respect voor de bomen, ze verzorgen ze goed, de gemeente heeft minder onderhoudskosten en extra inkomsten van het gemeentelijke fruit.
Kringlopen sluiten.
De moderne wetenschap zegt dat er geen duurzame netto massa productie van een bepaald ecosysteem zijn kan voor een langere periode dan een paar jaar. Dat wisten de boeren in Drente, dat weten de boeren in Africa. Bijvoorbeeld bij het Flevo2000 project (populieren) vond men een rendement van 0,4% naar ik meen. Het snelgroeiende populierenbos neemt de benodigde nutriënten op. De jonge boompjes groeien erg snel ( er is een positieve NPP), maar de hoeveelheid geaccumuleerde massa in het bos is erg weinig. Wanneer men nu deze bomen verbrand of eenvoudig laat doodgaan, dan moeten de meeste nutriënten weer teruggaan naar de aarde. Maar wanneer deze bomen nu worden gekapt en geëxporteerd dan worden er amper nutriënten aan de aarde teruggegeven.
(Voorstellen tot “trunk extraction” voor extra biobrandstof benutting in Zweden zijn dan ook absurd) Na meerdere oogsten raakt het bos geleidelijk uitgeput. Bij een bos van een zekere schaalgrootte dat evenwel lang genoeg kan groeien is er een zeker evenwicht. Is die periode maar lang genoeg dan is de productiviteit van dit ecosysteem uiteindelijk gemiddeld nul. Dit zijn de wetten van de natuur.
Om biomassa (vooral water, maar ook koolstof en een hele reeks nutriënten) uit een kringloop te exporteren moet een ecosysteem gelijke hoeveelheden van die chemische elementen importeren die verloren zijn gegaan, anders raakt het systeem onherroepelijk uitgeput. Koolstof komt uit de via CO2 atmosfeer en water komt via regen en rivieren of wordt uit meren en oude bronnen gehaald. De andere nutriënten moeten echter zo snel mogelijk benut worden uit oud plant materiaal die omgezet wordt in methaan, koolstof, petroleum, fosfaat enz., enz., en uit minerale aarde met allerlei zouten, dit alles onomkeerbaar verbruikt door de mens. Omdat de huidige mens niet meer geïntegreerd is in de ecosystemen waarin ze leven, zijn we gedoemd onszelf uit te roeien door uitputting van allerlei planetaire voorraden aan mineralen, aarde en schoon water. Het is daarom niet meer de vraag of dit gaat gebeuren, de vraag is hoe snel!
Daarom werkt Henk Breman aan zgn. hightech fixes, het geïntegreerd bodemvruchtbaarheidsbeheer waarin hij probeert de bodemkwaliteit te verbeteren om zo het kunstmestgebruik zo efficiënt mogelijk te doen verlopen en rendabel te maken. Dat betekent volgens hem dat hij tegelijkertijd zoekt naar mogelijkheden om de verliezen naar het milieu zo veel mogelijk te vermijden. Hij schreef daarover “The Lesson of Drente’s “Essen”: Soil Nutrient Depletion in sub-Saharan Africa and Management Strategies for Soil Replenishment.
Die “Lesson of Drente’s “Essen” moge duidelijk zijn: Voeding van 6,5 miljard mensen zonder de geweldige input van kunstmest (stikstof) is met bestaande technieken niet mogelijk. Zie bijvoorbeeld Vaclav Smil: http://home.cc.umanitoba.ca/~vsmil/
Het grote dilemma waar we mee zitten moge ook duidelijk zijn: De impact van de input in de stikstofcyclus op het destabiliseren van ecosystemen is tot nu toe veel groter dan de impact van de input in de koolstofcyclus, alhoewel deze laatste, de invloed van de eerste wel eens tot bijna niets zou kunnen reduceren.
Alle pogingen om uit dit dilemma te komen lijken mij de moeite waard. Het technische debat zou wat mij betreft hier over moeten gaan.
Samengevat meer focus op stikstof (en fosfaat) en minder op koolstof?
Het leven bestaat slechts dankzij de onduurzaamheid. Door de afbraak van materie ontstond de oersoep waarin het leven eerst mogelijk werd. In die miljoenen jaren heeft het leven zich in een symbiose met de biosfeer een klimaat geschapen waarin al het leven uitbundig kon gedijen.
Business as usual zal ongetwijfeld lijden tot een complete en praktisch onmiddellijke crash van alle technisch geavanceerde samenlevingen en, misschien, wie weet, van alle mensen. De uitkomst zal niet veel verschillen van de ineenstorting van een volgroeide kolonie van bacteriën op een petrischaaltje wanneer haar voorraadje suiker op is en allerlei afvalproducten zich beginnen op te hopen.
De mens bestaat al een miljoen jaar. We hebben veel natuurlijke verstoringen overleefd en ijstijden bij de vleet. De vraag is nu of onze verstoring van de “warmtekracht” een klimaatpatroon met zich meebrengt die onleefbaar zal zijn. We brengen heel wat CO2 in de lucht, niet weinig ook, meer dan 10 ton per jaar per Nederlander. De massa’s kool en koolwaterstoffen die we jaarlijks verbranden zijn bekend, kunnen bekend verondersteld worden. De uitstoot op wereldschaal is enorm: ongeveer 20 miljard ton per jaar. Daarom is de concentratie CO2 in de lucht behoorlijk aan het stijgen, van 0,03% in de jaren ’60 tot 0,035% in de jaren ’90. (voorgaande eeuwen tussen 0,027 en 0,029%)
Niet iedereen wil weten dat dit extra gas het natuurlijke broeikasgaseffect heeft versterkt. Hier in Nederland heb je een club true-believers die er niets van wil weten. Ik noem ze de volgelingen van Labohm. Keer op keer kom je dezelfde schreeuwers tegen die niet door argumenten zijn te overtuigen. Doen ze eigenlijk wel zelf onderzoek?
De lucht dient als een glas van een broeikas. Daarom is het hier 33 o C warmer dan de -18 o C die het hier zou zijn zonder CO2. Dit is het natuurlijke broeikaseffect. Dit proces is bekend en daarom kunnen we ook berekenen hoeveel de temperatuur door die extra CO2 kan gaan stijgen. Wel, als we met een scenario ‘business as usual’ zo doorgaan als nu, is het over 50 jaar minstens 3 o warmer. Toendra ontdooit, (kent u de “dronken bomen” in het boreale bos al?) methaan, Groenland groener, Zuid Europa nog heter, etc, etc. Doemdenker? Beter dan do(e)mdoener!
Wat verder vaak wordt vergeten is dat het tempo van deze temperatuurstijging zonder precedent is. Met alle gevolgen voor de veelal versnipperde ecosystemen van dien. En niemand weet hoe deze systemen op zo’n ongekend snelle stijging zullen reageren, terwijl deze ecosystemen voor onze voedselvoorziening van cruciaal belang zijn.
Wetenschappers zijn o.a. in het Hadley Centre in Engeland bezig complexe klimaatmodellen te toetsen en te verfijnen. Laat nu niemand beweren dat ze wel fout zullen zijn omdat de werkelijkheid zeer veel complexer is dan zich in een complex model laat samenvatten. Wie dat beweerd is niet goed wijs of moet met overtuigende andere argumenten komen.
Is er hoop? Wat betreft het vervangen van onze koolstofgedreven economie door alternatieve energieopties niet! Want wanneer er één haast religieuze sekte is dan zijn dit wel de propagandisten van de alternatieve energiebronnen. De echte rekenaars zien het anders. Zie: http://www.physi.uni-heidelberg.de/~pelte/energy2/start.htm
Alle alternatieve energiebronnen bij elkaar genomen zijn volstrekt onvoldoende om onze verslaving aan fossiele energiedragers te doen vergeten. Rest ons dus een totaal andere samenleving……………….. !
Voor we daar aan toe zijn…………………!

