DEBAT
Siebenga’s vlees- en voedseltaks
Minister Gerda Verburg, thans demissionair, laat vandaag weten dat ze niets ziet in een vleestaks. Alexander Pechtold (D66), kandidaat voor een ministerspost in het nieuwe kabinet, had net uitgerekend dat het alvast 1 miljard oplevert die hij dan niet meer hoeft te bezuinigen als straks het overheidsapparaat echt flink moet worden ingekrompen. Dat is natuurlijk sowieso een slechte reden om aan vleestaxering te beginnen. Maar nu even serieus, want het moet natuurlijk niet om geld gaan en je hebt wel degelijk vlees - ook al komt het van dezelfde diersoort - dat heel OK is.
Niet alle vlees hoeft op de taks. Er is heel duurzaam vlees. Neem een koe, die gras eet dat er toch maar staat en dat er staat omdat we van weilanden met koeien houden. Neem een varken, het duurzaamste dier ter wereld, dat ons afval zou moeten eten en kan eten van het Nederlandse graan dat we zo mooi vinden wuiven op de akkers maar niet eten omdat het te zacht is om er brood van te bakken. Wist u dat eigenlijk wel? Al ons graan gaat naar de dieren. We kunnen er heel wat van eten en wat moeten we anders met die akkers? In het Groningense Oldambt - graanland bij uitstek - bouwen ze er nu huizen op voor rijke Amsterdammers en Hagenezen. 'De blauwe stad' noemen ze dat. In hun 4x4 BMW's en sportieve Mercedessen blazen die nep-Groningers wekelijks heel wat fijn stof de lucht in tijdnes hun ritjes op en neer naar de Randstad.
Voor die oplossing is maar gekozen omdat het graan niks meer opleverde. En dat kwam weer omdat er niet te weinig, maar veel te veel eten wordt gemaakt. Tis een rare wereld.
Dus als we het nou eens zo doen:
- we stoppen subiet met het verbranden van al dat kostbare eetafval van al die mensenmassa's hier en brengen het naar de beesten; varkens en kippen zijn er dol op en het is goed te verwerken.
- daarnaast voeden we ze met ons graan
- onze landschappen houden we mooi met koeien en andere grazers, die we bij voeren met graan (er is een oude slagerswijsheid: 'je moet koeien hebben die in de meelzak hebben geblazen')
Alle vlees en alle melk die daar vanaf komt noemen we duurzaam, want er is niemand die er iets anders mee kan.
Geu Siebenga, foto: Diederik van der Laan
Alles wat dat niet is, daar komt een heffing op. Dat noemen we de taks van Geu Siebenga, de oude wijze bankier die onlangs een voorstel deed dat kennelijk noch Pechtold, noch Verburg, Wakker Dier, Natuur & Milieu, Milieudefensie of de Dierenbescherming opviel. In een interview waarin het o.m. ging over 'duurzaamheid' kwam hij met een boeiende gedachte:
Het denken in geld alleen leidt tot dat soort toestanden. Er zou een modern soort ‘local for local’ –denken moeten ontstaan. Geen arcadisch gedoe met van die romantische stadslandbouw. Maar efficiënte productie rond stedelijke concentraties. Met duurzame transport afstanden. Daarin zou een goede marktwerking moeten zorgen voor een keuze aan producten die voldoen aan de normen die we stellen op het gebied van milieu, dierwelzijn en een faire beloning voor arbeid en risico. En dat tegen de best mogelijke kostprijzen. Producten die niet aan die te stellen eisen voldoen zouden moeten worden belast. Die belasting zou moeten worden gebruikt om ‘short cuts’ te ondervangen. Die willen we immers niet, want we vinden ze ‘onduurzaam’. Dan moeten we daar ook consequenties aan verbinden
U snapt het al, Siebenga's gedachte geldt niet alleen voor dieren, maar voor alle voedselproductie.
Is het een idee dat ergens op slaat of niet?
REAGEER (64 REACTIES)
Restanten van de beschaving
In boerenblad Nieuwe Oogst schrijft akkerbouwer Huib Rijk deze week een tekst over beschaving en voedsel. Volgens Huib kun je alleen maar naar het geheel kijken en zorgen deeloplossingen altijd weer voor problemen. Honger is niet het gevolg van een tekort aan eten maar van armoe. Geld is het gevolg van genoeg eten, maar het zorgt voor honger elders als we daar niet ook voor genoeg koopkracht zorgen.
Komen we ooit uit deze vraagstukken met de eendimensionale manier van denken die onze tijden kenmerkt?
Het wereldvoedselsysteem zit vol systeemfouten: 1 miljard mensen kampen met overgewicht. Tegelijk zijn er 1 miljard mensen die met honger naar bed gaan, terwijl cijfers van FAO-OECD aantonen dat boeren voldoende voedsel kunnen produceren voor 9 miljard mensen. Verder worden recordhoeveelheden graan in bio-ethanol omgezet, vruchtbare polders onder water gezet, oerwoud gekapt voor teelt van soja, waar koeien melk van produceren die boeren weggooien uit protest tegen machtsmisbruik van supermarkten. In dit artikel wil ik een analyse maken, niet alleen van deze verschijnselen afzonderlijk, maar ook in hun samenhang. Analyses zijn op diverse niveau’s – van het individu tot de mensheid als geheel – sterk verschillend, zelfs vaak tegenstrijdig.
Honger als verdelingsvraagstuk
Een veel gehoorde gedachte is dat er voldoende voedsel is, maar dat slechts de verdeling ongelijk is. Vanuit die gedachte is voedselhulp een logische gedachte: “We feed the world”.
Honger als technologisch vraagstuk
80% van de hongerigen is zelf boer of landarbeider. Maar hun productiemethoden leiden tot lage opbrengsten en uitputting van de grond. “Geef je iemand een vis dan kan hij één dag eten, geef je hem een hengel dan kan hij zichzelf voeden”, dit is het motto van ontwikkelingshulp. De G-20 lanceerde deze zomer het initiatief investeringen in de landbouw sterk te verhogen. Een verhoging van 1% van het landbouwbudget leidt tot 2 á 3% productieverhoging, waarbij landbouw een positieve bijdrage vormt aan de totale economie.
Honger als sociaal-economisch vraagstuk
Input aan productiemiddelen is voor arme boeren te duur, doordat ze te weinig ontvangen voor hun producten.
Het lijkt logisch dat onder moeilijke omstandigheden de ware ondernemers boven komen drijven. Maar ondernemersschap vereist goede omstandigheden: redelijke, en vooral stabiele prijzen. Een boer met koe, maar zonder afzet voor melk, richt zich op zelfvoorzienende landbouw – zolang zijn grond wat opbrengt. Vissers met hengel bij een lege zee investeren niet in een tweede hengel maar gaan op zoek naar alternatieve inkomsten. Opvallend gevolg van piraterij bij Somalië is dat grote vissersboten uit de kust blijven en de visstand zich herstelt. Jongelui zonder nuttige besteding van hun energie en tijd, zijn creatief genoeg om onnuttige bestedingen te bedenken.
Honger als gevolg van machtsstructuren
Boeren worden op diverse niveau’s geconfronteerd met machtsstructuren die in hun nadeel werken. Hierdoor hebben zij geen marktmacht en kunnen geen rendabele prijzen afdwingen. Zij dreigen vaak hun land kwijt te raken omdat ze niet over eigendomspapieren beschikken. Door gebrek aan opslagcapaciteit zijn ze vaak genoodzaakt hun producten na de oogst voor lage prijzen te verkopen – soms moeten ze hetzelfde product later voor veel hogere prijzen terugkopen als hun eigen voorraad op is. Hun belangen worden stelselmatig verkwanseld voor de belangen van de stadselite. En de belangen van arme landen worden weer tegengewerkt door welvarende landen. Dit gaat soms op subtiele wijze. Zo zijn er voor onbewerkte grondstoffen (cacao, koffie, ertsen) geen importheffingen ingesteld. Maar hoe meer bewerking er heeft plaatsgevonden, hoe hoger deze heffingen zijn (tariefescalatie). Ontwikkeling van verwerkende industrie wordt daarmee tegengehouden.
Is het geen schande hoe ontwikkelingslanden hun landbouw verwaarloosd hebben? Maar als die landen IMF-leningen willen, krijgen ze ‘dringend advies’ hun markten te openen voor export uit rijke landen die wel hun boeren beschermen. Honger hangt samen met structuren, zelfs al zien die er barmhartig uit. Als boeren bij voedseltekorten niet profiteren van hoge prijzen, maar juist moeten concurreren met gratis voedselhulp, zijn de gevolgen verwoestend.
Honger als overcapaciteitsprobleem
De landbouw kan voldoende produceren om 9 miljard mensen te voeden. Maar er zijn slechts 6,7 miljard mensen, waarvan er één miljard elke dag met honger naar bed gaan. Dit resulteert in een felle concurrentie om afzetmogelijkheden. Belangrijk is te realiseren dat hier veel indirecte effecten uit voortkomen. Want hierdoor zijn producenten uitwisselbaar en bezitten geen marktmacht. Lage prijzen maakt het arme boeren onmogelijk hun grond goed te verzorgen. Honger en armoede zijn er niet ondanks, maar juist doordat we zo veel kunnen produceren.
Armoede als oorzaak van honger
Binnen het comité voor voedselzekerheid (CFS), onderdeel van de FAO, is de visie dat honger het best bestreden wordt door voedselprijzen zo laag mogelijk te maken. Maar gevolg hiervan is leegloop van het platteland, en daardoor druk op de arbeidsmarkt en nog lagere lonen. Het voedselprobleem hangt samen met het probleem van werkgelegenheid. Als er voor arme boeren voldoende werkgelegenheid in de stad is, dan zijn ze niet genoodzaakt hun onzekere bestaan op het platteland voort te zetten.
Armoede en honger als onderontwikkelingsprobleem
Aanhangers van het neoliberale gedachtengoed zeggen het zelf. De drijvende kracht achter hun systeem is hebzucht; alleen eigenbelang zorgt ervoor
dat mensen zich optimaal inzetten. Zij geloven daarbij dat de markt altijd eerlijk is. Weliswaar niet op korte termijn, maar uiteindelijk corrigeert de markt zichzelf en gaat productie daar plaats vinden waar dat economisch gezien het gunstigst is. Want iedereen die onvoldoende beloning ontvangt voor zijn inzet zal iets anders gaan doen. Dit verschijnsel is zelfs de basis van onze welvaart: efficiëntieverhoging van voedselproductie leidde tot uitstoot van arbeidskrachten, die benut werden om andere goederen te produceren. De economie bleek keer op keer in staat tot ongekende welvaartsvorming. De sleutelvraag is daarmee: waarom leidt dit systeem niet tot welvaart voor iedereen?
Het systeem van vrije markten gaat van één vooronderstelling uit: dat er voldoende mogelijkheden zijn om iets anders te gaan doen als je te weinig verdient. Maar dit is een ongefundeerde gedachte.
De vervanging van menselijke arbeid door machines is een autonoom proces. En dit proces gaat juist versnellen. Het grootste deel van alle arbeid wereldwijd is ongeschoold. Middels kunstmatige intelligentie kan het grootste deel hiervan binnenkort door machines uitgevoerd worden. Want hoe moeilijk kan het in elkaar zetten van een spijkerbroek zijn als zelfs kinderen van 8 of 10 jaar – zonder enige vorm van scholing! – er 10 in een uur maken?
Daarmee komen we in een spagaat terecht. We zijn in staat voortdurend meer te produceren, maar daar hebben we een steeds kleiner deel van de mensheid voor nodig. Belangrijk is te beseffen dat het grootste effect indirect is. Werkloosheidsuitkeringen lijken uitsluitend ter bescherming van werklozen te zijn. Maar juist de werkenden worden er door beschermd. Zij hebben geen enkele machtspositie als er tien anderen achter hen staan die hun werk over willen nemen voor minder loon. Net zoals boeren geen marktmacht in de voedselketen bezitten als ze elkaar verdringen bij de afnemers.
Wij zijn met duizelingwekkende snelheid op weg naar een science-fictionachtige beschaving, maar de beheersing van onze capaciteiten is onderontwikkeld. Het gevaar is levensgroot dat er een onderklasse ontstaat van “onrendabelen”. In dit verband is opmerkelijk dat instrumenten als microkredieten met name effectief zijn voor diegenen die het al redelijk vergaat. De “Bottom billion” zijn onbereikbaar.
Er is nog een tweede spagaat: vanuit economisch oogpunt zouden we veel meer kunnen produceren, maar vanuit duurzaamheidsoogpunt produceren we al veel te veel.
De beschaving van het beleid
Mijn analyse van het huidige beleid is kort en hard: wij zijn heel meelevend in het uitdelen van onze overvloed (voedsel/ontwikkelingshulp), maar slechts zolang dit de bestaande machtsstructuren niet aantast. En maatregelen op beschavingsniveau die zijn zelfs helemaal afwezig.
Dan blijven er slechts “onsmakelijke keuzes” over: boeren in rijke landen een reëel inkomen gunnen of arme boeren rechtvaardige kansen bieden. Of alles aan het marktmechanisme overlaten met verpaupering en ontvolking van het platteland als gevolg. En moeten we kiezen om ons volop te richten op onze internationale concurrentiepositie of voor behoud van een sociaal vangnet en productie die rekening houdt met milieu en duurzaamheid?
Alternatieven
Machtsmisbruik kan alleen bestaan als mensen zich er niet aan kunnen onttrekken. Alternatief beleid moet daarom bestaan uit … alternatieven.
LTO-Akkerbouw heeft een plan ontwikkeld voor variabele bijmenging van bio-brandstof: hoe lager de graanprijs, hoe meer bio-ethanol. Autorijden op voedsel is niet onethisch; juist met alle middelen doorproduceren van overschotten is dat.
Het ontbreekt ons niet aan werkzame instrumenten: subsidies, quotering, regelgeving. Het ontbreekt ons aan de wil om deze zodanig in te zetten dat ze ten bate zijn van de gehele mensheid. Door de globalisering komen we als boeren in één groot systeem. Wij kunnen alleen wat verdienen als we zorgen dat boeren elders op de wereld dat ook kunnen. Er zijn nog meer mogelijkheden: landbouwgrond omzetten in natuur. Dit roept sterke weerstand op, op nationale schaal is dit zelfs kapitaalvernietiging, maar voor de mensheid is natuur van onschatbare waarde. Voor boeren is het van belang te bedenken dat lage prijzen niet komen doordat er te veel boeren zijn, maar te veel productiecapaciteit. Interessant is het voorstel dat landen die in het verleden hun bossen hebben gekapt andere landen ondersteunen hun oerwouden onaangetast te laten.
Hetzelfde geldt voor maatregels voor duurzaamheid. Op individueel of nationaal een concurrentienadeel, op beschavingsniveau essentieel.
Als we de keuze maken om geen keuzes te maken lopen we gevaar in een darwinistisch systeem te belanden waarbij iedereen tegenover iedereen komt te staan: het ene continent tegenover het andere, de ene bevolkingsgroep tegenover de andere (in onze binnensteden bijv). Maar van alle intelligente beschavingen zullen slechts de beschavingen overleven die op beschaafde, duurzame wijze samen leven.
REAGEER (27 REACTIES)
Edited Choice en waarom gewone mensen niet groen doen
Luc Ferry, een wijsgeer, was minister van onderwijs onder de Franse president Chirac. Hij vertelde het blad L'Express vorige week iets behartenswaardigs: groen doen is voor Westerse bobo's, niet voor gewone mensen is (hier vind je een ruwe automatische vertaling van het interview). Dat is nogal wat, want het betekent dat al het gedoe waarvoor ministers, hele ministeries en bergen adviesburo's zich voor inspannen voor niks is. Ze willen ingewikkelde, nooit sluitend te krijgen 'duurzaamheidssystemen' en 'logo's'. Sloten met geld worden weggespoeld zonder resultaat omdat het alleen besteed is aan 'bewuste' mensen die ook niet beter weten, maar het uit erbarmen maar kopen.
Volgens Ferry staan gewone mensen veel te ver af van het abstracte gepraat over 2 graden minder warmer, zoals dat in Kopenhagen gebeurde en mislukte. Inmiddels bleek bovendien de drukte om die twee graden ook nog eens gebaseerd op een scriptie van een student en een pamfletje van een actievoerder zodat de officiële instantie die al het gedoe veroorzaakte nu in zijn hemd staat, terwijl ons vervuilend gedrag natuurlijk wel degelijk een issue van jewelste is. De nodige editoren doen niet anders. Dat mag je niet hardop zeggen, maar het is wel zo. Onderwijl maakt het weinig uit, want bergen gewone mensen staan waarschijnlijk al even ver van al die mooie systemen die zij in hun duurzame drift proberen te op te leggen. Dat geldt voor 'gewone mensen' hier, maar vooral voor de miljarden 'gewonen' elders in de wereld die net een beetje welvaart beginnen te krijgen. Wat moeten die met 2 graden minder warmer? Ze willen eten en op vakantie. Ze zijn net zomin bewusteloos als de bewusten, maar ze functioneren op basis van directe signalen. Ze moeten weten hoe iets zit en waarom het beter voor hen, hun hond, hun toekomst of hun
eigen en kleinkinderen is. Anders kopen ze het niet en gaan ze zich niet anders gedragen.
Maak aantrekkelijker producten voor ze, zegt Ferry. 'Ik denk dat onze politici er geen bal van begrijpen', zegt hij. Spannend. De Nederlandse regering organiseert panels om te onderzoeken of consumenten vanzelf duurzamer gaan doen. Nee, natuurlijk niet. Waarom zouden ze ook als ze niet voelen waarom. De roep om edited choice - bijv. vlees op rantsoenbonnen of verboden voor Nederlanders, omdat nu de Chinezen maar even moeten mogen - kwam al meteen weer op.
We kopieren even wat tweets van gisteravond over een panel over (on)groen burgerschap:

Nou, edited choice dan maar? Omdat mensen te dom en kortzichtig zouden zijn. Of kijken de onderzoekers niet verder dan hun neus lang is en hebben ze niet door dat je mensen eerst iets moet leren? Daarna kunnen ze het vanzelf. Fietsen gaat op een goed moment zelfs met losse handen, zonder dat je het ze leert.
Rekenen ook. Einstein leerde het en vond er heel wat mee uit. Uitzonderlijk natuurlijk, maar zijn mensen zo onuitzonderlijk? Ooit waren we allemaal vrekken. En
dat is duurzaam. Dat was gewoon een houding. Je moet hem wel even aanleren. Anders moet je een verwend mens z'n leven lang in de luiers helpen en blijft het dweilen met de kraan open. Vooral op al die momenten dat je er niet bij bent en hij of zij even wat onduurzaams doen dat je nog niet had voorzien. Da's hard werken met al die miljarden.
Edited choice, gaat dat helpen of is het 't definitieve begin van intensieve goed gemonitorde menshouderij? Voor wie eigenlijk?
REAGEER (69 REACTIES)
Een Week van de Voeding?
Gisteren werd de Horecava geopend met een ministeriële blije ballon: smaaklessen op Middelbare Scholen worden gegeven. De redactie kreeg er scherpe mail over. Lezer Mark Soetman schreef ons dat hij verwacht dat het niet gaat werken. We mailden er wat over heen en weer. Al is smaaklesgoeroe Pierre Wind nog zo cool en geinig, lessen helpen niet als het niet van 'binnenuit' gaat komen. Je moet mensen raken en weer 'haakjes' vinden.
Mark schreef ons terug: Het is op dit moment niet eenvoudig om eten leuk te vinden, zeker niet als je een beginnende eetonderzoeker bent (ik bedoel niet het Klootwijk-type, maar gewoon een jongere die op zoek is naar zijn of haar lekker). De lol is uit eten weg. Hier althans.
Ik zou me eventueel wel een ‘week van de voeding’ kunnen voorstellen op alle middelbare scholen. Biologie, scheikunde en natuurkunde in samenwerking met maatschappijleer en huishoud-iets (ben helaas niet goed op de hoogte van alle nieuwe vakken sinds mijn eigen eindexamen medio jaren 80) doen een project samen. Enzymologie, moleculair koken, aminozuren, gal, neurotransmitters, smaak volgens Klosse en meer van die zaken. Groepsproject van een week. Er zal meer begrip, inzicht en nieuwsgierigheid uit moeten voortkomen. En hopelijk één of twee met passie…..
Weg met die vrolijke-maar-verder-wat-eigenlijk Week van de Smaak en al even nietzeggende smaaklessen en op naar een Week van de Voeding? Het knopje moet om. Een paar gratuite leuke lesjes helpen niet. Eten is geen TV en geen 'verleiden'. It's real stuff en het moet je gaan 'pakken'.
REAGEER (64 REACTIES)
Tuinders Titanic
Eindelijk is het hoge woord er uit. Het gaat bereslecht met de glastuinbouw. Vrijdagavond meldde het acht uur journaal dat glastuinbouwbedrijven dit jaar gemiddeld 100.000 euro in de rode cijfers zijn gedoken. Splits je dit uit dan komen groentetelers 220.000 euro tekort, snijbloementelers 99.000 euro tekort en verdienen de potplanten- en perkgoedtelers nog 54.000 euro. Op een totaal van 6.585 bedrijven in 2009 komt dat dus op een verlies van meer dan een half miljard. En voor velen was 2009 niet het eerste slechte jaar. Dit zijn cijfers uit de LEI Agrimonitor van december 2009, waaruit bleek dat de glastuinbouw het veel slechter doet dan andere agrarische sectoren. Zelfs de melkveehouders hebben het beter gedaan.
Jong en oud
Bij de glastuinbouw zijn het zowel jonge als oudere ondernemers die in problemen komen. Toch zijn de jongere ondernemers in de meerderheid. Vooral als zij een groot en modern bedrijf hebben met veel vreemd vermogen. Maar de pijn geldt voor iedereen. Interen op eigen liquide middelen, minder aflossen op leningen of zelfs het aantrekken van vreemd vermogen, zorgen uiteindelijk voor uitholling van het toekomstperspectief.
Het LEI is duidelijk. Als het moeilijke jaar 2009 wordt gevolgd door een aantal goede jaren, kunnen de reserves weer op peil worden gebracht. Gebeurt dat niet, dan moeten sommige bedrijven noodgedwongen stoppen.
Kwart moet stoppen
Hoeveel is ‘sommige bedrijven? Rabobank, die 7 miljard euro heeft uitstaan in de glastuinbouwsector, deed eind november nog een ‘geen paniek’ persbericht uitgaan, want er zijn dit jaar niet opvallend meer faillissementen in de glastuinbouw dan vorig jaar. Toch gaf de bank toe dat er ‘donkere wolken boven de sector hangen’. Inmiddels hebben ze besloten alvast 1 miljard onzeker krediet af te boeken(15%!), schreef het Financieel Dagblad afgelopen week.
Raboman Fred van Heyningen uit het Westland was in het journaal meer to-the-point: “De helft van de glastuinbouwbedrijven zit in de problemen. Een kwart zou eigenlijk moeten stoppen. We proberen ze toch de winter door te helpen.” Er van uit gaande dat het tij nog kan keren houdt de bank deze bedrijven in de lucht.
Rabobank zal wel moeten. Het is een publiek geheim dat de grootste financier in de agrarische sector 600 tot 750 ha glasopstanden heeft gefinancierd door middel van een sale-en-lease-back constructie, een regeling die zowel de bank als de tuinders fiscaal voordeel oplevert. Die mogelijkheid maakt gulzig. De bank is dus zelf eigenaar van het grootste glastuinbouwbedrijf in Nederland.
Niemand durft
Zal het tij keren? Niemand durft daar een antwoord op te geven. Toch gaat dat niet spontaan gebeuren. Binnen de sector weet nagenoeg iedereen dat er de laatste jaren te optimistisch is geïnvesteerd in schaalvergroting. Om de productiekosten te drukken. Immers, hoe meer je maakt, hoe lager de kosten. Dat lukte, maar nou zitten ze met de gebakken peren. Er kwam zoveel productiecapaciteit bij, dat de opbrengstprijzen nog lager werden bij dan de al miraculeus lage kostprijzen.
Toch ging het spel lekker door. Dat kwam omdat tuinders door een fiscaal gunstige regeling – de zgn. sale-en-lease-back constructie van Rabobank - met steeds minder eigen geld steeds grotere bedrijven konden maken. Nu heb je dus grote moderne bedrijven die technisch failliet zijn en die het failliet van de sector als geheel op hun geweten lijken te hebben. Een sanering van de kleinere en ouderwetsere tuinders zou voor de hand liggen. Maar … die hebben nou juist part noch deel gehad aan de crisis. Wat nu?
Telers weten het niet meer. Wie laat de bank het eerst omvallen? Die kleinere bedrijven met relatief weinig schulden zonder bedrijfsopvolging, of de nieuwe bedrijven die zijn gebouwd voor de toekomst? Uit een informeel gesprek met een bankier bleek dat het rechtvaardig zou zijn de bedrijven met de grootste schuldenlast uit de markt te nemen. Als die omvallen komt het voortbestaan van de Nederlandse glastuinbouw in gevaar. Het gaat namelijk niet alleen om die zeven duizend ondernemers, maar ook de toeleverende bedrijven er om heen.
Staatssteun
Banken en tuinders komen er tot op heden niet uit. Iedereen knijpt de billen bij elkaar en gooit nog wat fiches op de casinotafel. Er is zelfs niet de geringste aanzet om het probleem aan te pakken. De tijd moet het leren.
Je kunt het lijk dus al zien drijven. Straks wordt er geroepen om staatssteun, terwijl er nu vrijwel zeker al geld in een bodemloze put wordt gegooid. Er moet staks immers productiecapaciteit uit de markt worden gehaald. De bedrijven die dan moeten worden omgehaald zijn daarom nu al niets meer waard. Stel dat de roep komt, moeten de agrarische financiers en de tuinders dan met staatssteun worden geholpen? Wiens probleem is het eigenlijk? Da’s een belangrijke vraag om alvast over na te denken.
De Titanic kon tenslotte ook niet zinken.
REAGEER (292 REACTIES)
We weten best wat duurzaam is
Grappig al die discussies over kruissubsidies, discounters, consumentenplatformen, rode tractortjes, concepten, overheidsingrijpen, maatschappelijke dienstenen andere slimme hoogstandjes. En natuurlijk de discussie rond het zoeken naar een eensluidende betekenis van duurzaam. Vooral die is onvergetelijk en onmogelijk.
Terwijl we het natuurlijk best weten. Misschien niet op de vierkante millimeter, maar wel op de vierkante meter. De gisteren door Bart Schmall aangehaalde Friedman heeft het uitstekend verwoord en we zijn het er allemaal mee eens. Net zoals met de milleniumdoelen.
Het praten, schrijven, confereren en eindeloos delibereren over duurzaamheid en hoe dat dan zit, is een niet eens kwaadwillige poging om te verdoezelen hoe het werkelijk zit.
We zijn niet bereid ons leuke leventje op te geven. Of voor zover het leuke leventje nog niet helemaal bereikt is de droom van het leuke leventje te laten vervliegen. Zeker als we niet exact weten wat we ervoor terugkrijgen.
Diep van binnen voelen we wel dat het niet helemaal klopt, maar we hebben nog voldoende legitimaties in handen om niet naar dat gevoel te hoeven luisteren: ik heb het verdiend, ik heb er voor afgezien, ik heb er recht op, iedereen doet het, er zijn grotere schuldigen, de overheid moet het oplossen, de industrie is aan de beurt, zo vrolijk zijn die bio- en milieufreaks ook niet.
Daarbij worden we cultureel erg gesteund in onze opvattingen. De economische cultuur wel te verstaan. En die is simpel: we hebben recht op ongelimiteerde consumptie, we hebben de plicht te concurreren om de economische groei te stimuleren. Concurrentie geeft groei, groei geeft inkomen, inkomen geeft consumptie, consumptie geeft geluk. Kun jij niet (meer) meekomen in dit economische model, dan is dat niet mijn probleem en niet mijn falen. Maar ik ben niet lullig; als het me uitkomt wil ik misschien de afvallers wel steunen.
We weten best wat duurzaam is.
Alleen accordeert duurzaamheid niet met onze diepere gevoelens, behoeften en angsten:
1. We weten niet zeker of duurzaamheid onze materiële veiligheid in de weg staat en daarmee onze angst voor armoede of sociale buitensluiting. 2. We weten niet zeker of duurzaamheid de controle, die we hebben bemachtigd over onze eigen bestaan, onze eigen identiteit (wat die ook is), niet zal ondergraven. 3. We weten niet zeker wat er gebeurt als we de economische dekmantel loslaten: rest ons dan eenzaamheid, eindigheid, leegte.
En omdat we dat allemaal niet zeker weten, er geen garanties voor krijgen, houden we vast aan dat wat niet klopt. Beter iets dat niet helemaal klopt, dan de onzekerheid van het nieuwe. En gaan we voor oneindige consumptie in alle vrijheid en houden we de moeilijke vragen op afstand. Après nous le déluge.
Kleine stappen, langzaam thuis.
De economische recessie, de milieuproblematiek en de voedselcrisis dwingt ons nog steeds niet tot grote stappen. Daar moet het allemaal nog erger voor worden. Er mee dreigen als de feiten niet zo gevoeld worden en de legitimaties nog hun kracht hebben, leidt eerder tot tegenovergestelde. Maar wat dan wel? Wat is het alternatief?
Er is natuurlijk het ‘grote alternatief’. Het loslaten van agressieve consumptie, het uit handen geven van de controle, het onder ogen zien van de moeilijke vragen dat zal leiden tot - en hier praat ik wetenschappers, filosofen, sociologen en psychoanalisten na (wat ik niet zou doen als ik er ook niet in zou geloven) – een wereld met meer intimiteit, meer respect, meer gelijkheid, meer diversiteit. Maar dit alternatief is te groot. Te onzeker ook. En daarom werkt het niet.
We zullen onze soelaas moeten zoeken in het kleine alternatief (wat op zich alweer groot genoeg is). Het kleine alternatief gaat over de dingen die we vandaag kunnen doen, waar de situatie nu om vraagt en die ook min of meer haalbaar zijn. Kleine stukjes van het geconditioneerde gedrag bewust te maken en te verleiden tot ander gedrag. Op basis van de belofte en niet door een gebod. Voor en bij iedereen: boeren, producenten, retailers, consumenten, overheid, burgers, aandeelhouders, medewerkers. Dat gaat misschien ook langzaam, wie zal het zeggen, maar het gaat.
Natuurlijk kan je door allerlei regeltjes gewenst gedrag afdwingen, maar neem maar van mij aan dat er nieuw ongewenst gedrag voor in de plaats komt. Het gaat dus om vrijwillige gedragsverandering, alleen die is duurzaam. En vrijwillige gedragsverandering ontstaat door communicatie. Hoe beladen het woord inmiddels ook, er is geen alternatief. Communicatie dus, het contact zoeken en de dialoog aangaan, gedachten uitwisselen, open en gelijkwaardig. En vooral begrijpelijk. Het tegenovergestelde van het klassieke eenrichtingverkeer, het declameren of het intellectualiseren.
In feite gewoon met elkaar samenwerken aan een zaak die deugt. En ervaren hoe prettig dat wel niet is. De startvraag is ontwapenend simpel: wat gaan we samen doen?
We weten best wat duurzaam is.
REAGEER (62 REACTIES)
De landbouw kan niet zonder marktordening
Onderstaande GroenLinkse tekst (de redactie van hier is partijloos, laat dat duidelijk wezen) werd afgelopen zomer geweigerd door een aantal kranten. Ze vonden 'm niet interessant genoeg. Wat vindt foodlog ervan? Please note: hij werd ruim voorafgaand aan al het gepraat in de Rode Hoed geschreven.
De voedselprijzen dalen. Dat lijkt prettig nieuws in tijden van crisis, maar niets is minder waar. U als consument merkt er weinig van. De supermarkt berekent de lagere inkoopprijzen niet aan u door. Wie betalen het gelag? Onze boeren en tuinders. Zij krijgen zo weinig voor hun producten dat zij steeds vaker het bijltje er bij neergooien; dit ondanks de vaak gehekelde landbouwsubsidies. Als zij stoppen, vinden zij geen opvolgers. Jongeren beginnen er niet aan. Teveel lasten, te weinig verdiensten, te grote onzekerheden. Dit probleem is Europees van schaal omdat het landbouwbeleid dat ook is. Blijven er op den duur nog wel genoeg boeren en tuinders over om Europa van voedsel te voorzien? En wat blijft er over van het platteland?
Door vast te houden aan de orthodoxie van liberalisering (NRC handelsblad van 30 juli) speelt de Land- en Tuinbouw Organisatie, LTO, gevaarlijk spel. Ordening van de markt en de productie is nodig om de landbouwprijzen in Europa op een redelijk niveau te houden. Als boer en tuinder langdurig onder de kostprijs moeten werken, wat nu het geval is, dan stort de bedrijfstak in en worden een half miljard Europeanen voor hun voedselvoorziening afhankelijk van verre overzeese landbouwgebieden. Lage landbouwprijzen pakken bovendien slecht uit voor landbouwontwikkeling, dierenwelzijn, milieu, natuur en landschap, want ook de kosten daarvan moeten worden opgebracht.
Voedsel is een eerste levensbehoefte. Voedselzekerheid en een vitaal platteland zijn van groot maatschappelijk belang, maar de vrije markt verschaft ze niet. Wat is er vrij aan een markt waarin één der marktpartijen, de producenten, in een dwangpositie verkeert? Immers, hoe komen in deze markt de prijzen tot stand? Europa telt zo'n 7 miljoen gezinsbedrijven in de agrarische sector. Individueel beschikt zo'n bedrijf over geen enkele marktmacht tegenover de supermarktketens en de reuzen in de voedingsmiddelenindustrie. Die kopen volumes duizenden malen groter dan die van het individuele agrarische bedrijf. Voor boer en tuinder is het slikken of stikken. Hoe anders is het in de industrie en de zakelijke dienstverlening. Hier bepalen ondernemers zelf hun prijs.
De agrarische sector verschilt ook nog op een ander punt van de 'gewone' economie. Het marktmechanisme dat vraag en aanbod in evenwicht brengt, werkt heel slecht in de landbouw. In de industrie kan de ondernemer al naargelang de vraag zijn productie uitbreiden maar ook terugschroeven en daarbij tegelijk in zijn kosten snijden. Het boerenbedrijf kan niet snel reageren op veranderingen van de vraag en aan zijn bedrijfskosten kan het weinig doen. De productiemiddelen en de productiekosten liggen tamelijk vast. Wat de markt ook vraagt de koeien moeten verzorgd en gemolken worden, het land bebouwd, het graan, de appelen en de paprika's geoogst.
Ook de onvoorspelbaarheid van weer en natuur maakt een precieze productieplanning onmogelijk. Bij prijsdaling en een overvoerde markt proberen boer en tuinder juist extra te produceren om hun omzet te verhogen. Dit is de gesel van de moderne land- en tuinbouw: Deze sector heeft structureel te maken met overproductie en lage prijzen. En hoe laag de prijzen ook zijn, mensen kopen niet meer voedsel; gaan niet extra veel eten. Soms, wanneer er voedseltekorten dreigen zoals in 2007, schieten de prijzen omhoog. Voedsel is een eerste levensbehoefte die een mens elke dag
aanschaft, hoe hoog de prijs ook is. Alleen al geruchten over voedseltekorten zijn genoeg voor een prijsexplosie. Die treft dan vooral de bevolking in arme landen. In 2007 en 2008 kwamen voedselrellen voor in 24 landen.
De voedselproductie is te belangrijk om over te laten aan de grillen van de zogeheten vrije markt. Om de wezenlijke zwakte van de land- en tuinbouw op te vangen, namelijk overproductie en grillige prijsvorming moet de politiek terugkeren op zijn schreden van liberalisatie. Nodig is marktordening door middel van productiebeheersingsmaatregelen. Braaklegging van akkers en productiequotering zijn hierbij beproefde instrumenten. De melkquotering moet blijven. Deze was begin jaren tachtig omstreden. Toch is die ingevoerd en de overschotten verdwenen, de melkveehouders hadden een redelijk inkomen, terwijl het de overheid nauwelijks iets kostte.
Nodig is ook marktbescherming tegen de import van producten beneden de Europese kostprijs. De eisen die we stellen aan onze Europese boeren en tuinders, moeten ook gelden voor importeurs, zodat de eigen markt niet kapot gaat aan dumpprijzen. Verder moeten we de boeren betalen voor maatschappelijke diensten zoals natuur- en landschapbeheer, plus dierenwelzijn. Van de boer wordt immers verwacht dat hij ook immateriële waarden levert, maar wie staat erbij stil dat de vrije markt er geen cent voor geeft?
Om de land- en tuinbouwsector overeind te houden, volstaat dat Europa de oorspronkelijke doelstellingen van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) in ere herstelt, namelijk de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard verzekeren, de landbouwmarkten stabiliseren en de voedselvoorziening veilig stellen. Behalve marktordening is hiervoor ook nodig versterking van de onderhandelingspositie van boeren en tuinders als marktpartij door bundeling van krachten. Dergelijke initiatieven zijn er al. In de gangbare melkveehouderij organiseren boeren zich in de Dutch Dairy Board om 'eerlijke' prijzen af te dwingen. In de akkerbouw is er de Akkerbouwvakbond.
Het Mededingingsrecht dat prijsafspraken tussen aanbieders verbiedt, zit deze organisaties echter in de weg. Een andere oplossing zou kunnen zijn het breken van de macht van supermarkten, maar juridisch gezien hebben deze geen machtspositie. Het marktaandeel van elke onderneming op zich blijft namelijk ver onder de 60%. De antikartelwetgeving helpt hier ook al niet. Aanpassing van het Mededingingsrecht waarbij de landbouwsector een uitzonderingspositie verkrijgt, is bittere noodzaak. Immers nietsdoen waar macht ongelijk is, betekent steun voor de sterkste partij.
- Jacques van Nederpelt, landbouwkundige en publicist
- Johan Martens, veehouder en Statenlid GroenLinks van Noord-Brabant
Beiden zijn lid van de landbouwwerkgroep van GroenLinks
Voor het schrijven van dit artikel is geput uit het verslag van het debat over boer en marktmacht, georganiseerd door Landbouwwerkgroep van GroenLinks en gehouden op 13 mei 2009 op de Beekhoeve in Kamerik.
REAGEER (17 REACTIES)
Al 25 jaar geen stap verder
Joost Reus, een LNV-ambtenaar die ook zelfstandig nadenkt, schreef een opmerkelijke tekst over het recente gepraat op allerlei plekken in Nederland - van de Amsterdamse Rode Hoed, via een Utrechtse gelegenheid tot Wageningse praatcafe's - over de toekomst van de landbouw en ons eten. Zijn constatering is even helder als beschamend: er wordt al 25 jaar in dezelfde rondjes en standjes gepraat. Het zijn dus allemaal rituele dansen zonder wezenlijk resultaat.
Dan is er natuurlijk maar 1 vraag: hoe komt dat en waar zou de doorbraak dan in moeten zitten?
Afgelopen vrijdag was het Wereldvoedseldag. Om deze dag luister bij te zetten organiseerden verschillende partijen een debat over de wereldvoedselproductie onder de titel ’Goed te eten in 2050?’. Een van de vele debatten de laatste weken, trouwens. Een week eerder was ik bij een debat in Wageningen georganiseerd doorSchuttelaar en natuurlijk zijn er de debatten in De Rode Hoed over de toekomst van de landbouw en ons voedsel, die op internet tot boeiende discussies hebben geleid op Foodlog (debat 1, debat 2 en debat 3).
Wat me enorm opvalt en ook wel zorgen baart, is dat veel debatten nog steeds zo sterk vanuit hokjes en geharnaste posities worden gevoerd. Bij sommige discussies voel ik me weer in de collegebankjes zitten toen er felle debatten waren over biologisch versus gangbaar, kleinschalige versus grootschalige landbouw en tussen de aanhangers van de Appropriate Technology en de sociologen van het Imperialisme Kollektief.
In de debatten zijn grofweg vier wetenschappelijke stromingen te onderscheiden: de Technologen, de Biologen, de Sociologen en de Economen.
De Technologen hebben een grenzeloos vertrouwen in de technologie. Als we dat maar genoeg inzetten dan zullen de opbrengsten per hectare verveelvoudigen en kunnen we de 9 miljard mensen in 2050 met gemak voeden. De milieuproblemen kunnen we technisch oplossen door zonne-energie in te zetten, fosfaat terug te winnen, heel precies te bemesten en ziekten en plagen met moderne middelen onder controle te houden. Prof. Rabbinge en Prem Bindraban van de Wageningen Universiteit (WUR) zijn belangrijke vertegenwoordigers van deze stroming, maar ook Louise Fresco reken ik hiertoe.
De tweede groep zijn de Biologen. Die zijn voor het sluiten van kringlopen en voor het benutten van natuurlijke processen. Zij zien de oplossing van het voedselprobleem vooral in het promoten van biologische landbouw. Iets waar de Technologen helemaal niets in zien, vanwege de verwachte lage opbrengsten. De Biologen zijn van hun kant fel gekant tegen sommige technologische oplossingen, zoals genetisch gemodificeerde organismen. De Biologen zien we vooral veel in de hoek van de biologische landbouw, zoals Jan Juffermans van de Kleine Aarde, maar ook bij de natuur- en milieubeweging. Opvallend weinig van deze groep bij de WUR. Dat bleek ook wel bij het Schuttelaar-debat toen de zaal vol grijze Wageningers zat die biologische landbouw nog steeds een geloof noemden.
Dan zijn er de Sociologen. Die zitten vaak op één lijn met de Biologen, maar zien vooral het kwaad in het grootkapitaal en zetten zich af tegen de industrialisering van de landbouw, omdat dit uiteindelijk leidt tot de ondergang van de echte boerenlandbouw. Hier vooral een pleidooi voor kleinschalige landbouw waar boeren zeggenschap houden over de eigen productiemiddelen. Ook pleiten zij vaker voor marktregulering. Jan-Douwe van der Ploeg (ook WUR) is al jaren de grootste exponent van deze groep. Wat mij opviel in het debat was dat de analyses dezelfde zijn als 25 jaar geleden, maar dat er nauwelijks nieuwe oplossingen uit deze kring komen.
Ten slotte zijn er de Economen. Die geloven vooral in het heil van de markt. Als die maar optimaal en transparant functioneert dan komt het uiteindelijk allemaal goed. Vrijhandel tussen landen is nodig om te komen tot een toenemende welvaart in de wereld. In de ogen van Economen is schaalvergroting in de landbouw iets onvermijdelijks. Ze zijn het daarom vaker eens met de Technologen. Ook Economen vinden we bij de WUR, maar zij komen tot heel andere conclusies dan de Sociologen.
Wat me nu het meest verontrust is dat we na 25 jaar nog steeds dezelfde debatten met elkaar voeren en dat de verschillende meningen en opvattingen geen duimbreed dichter bij elkaar zijn gekomen. De WUR blijkt inderdaad het spreekwoordelijke veelkoppige monster te zijn, met dito meningen. Het lukt blijkbaar niet om tot een gemeenschappelijke probleemperceptie te komen, laat staan tot breedgedragen oplossingen. In mijn ogen moeten de muren van de hokjes nodig geslecht worden. Wat we nodig hebben zijn Nuchtere Denkers, Bruggenbouwers en Over Muren Kijkers, die niet vanuit vaste stellingen naar de huidige problemen kijken, maar intelligente combinaties kunnen maken en kennis kunnen combineren van verschillende wetenschappen om zo tot duurzame oplossingen te komen. Waarom is gentech per definitie slecht als gewassen daardoor beter tegen droogte kunnen? Wat is er mis om in Afrika biologische systemen de promoten die de kringlopen van mineralen zo veel mogelijk sluiten, zodat kleine boeren niet steeds de dure kunstmest hoeven te kopen? Toen ik nog studeerde propageerden we het Interdisciplinaire Werken. Blijkbaar is die stroming in Wageningen nog steeds niet echt van de grond gekomen.
REAGEER (66 REACTIES)
Is voedsel een maatschappelijke dienst?
Hier deed boerenvoorvrouw Annechien ten Have onlangs een bijzondere uitspraak: vlees is een maatschappelijke dienst. In het gesprek rond het interview waarin ze die uitspraak deed, ging ze zelfs zover alle boerenproductie van voedsel als een maatschappelijke dienst te benoemen.
In de boerenkrant van Nederland werd ze kort daarop geprezen. Eindelijk een boerin en traditionele boerenbestuurder die moedig stelling durfde te nemen, want ze zei dat varkens niet meer ruimte kunnen krijgen dan economisch uitkan en dat het meer dat de maatschappij kennelijk wil dan ook door de leden van die maatschappij opgebracht moet worden. Wat bedoelde Ten Have precies? De reacties van een stel schamperende boeren in die krant maakten duidelijk dat ze het niet met haar eens zijn of ... dat ze niet begrijpen hoe economie en onze keuze voor wat echt willen in plaats van wat-alleen-maar-economisch-kan tot stand komt.
Een korte cursus boerenverstand van economie. Boeren maken liever net te weinig eten, dan meer dan genoeg. De Minister-President en die van Economische Zaken zien het liever omgekeerd omdat dat de economie vooruit helpt. Moeilijk te begrijpen? Welnee. Als al je geld opgaat aan eten, kun je geen auto betalen of met vakantie. Is het goedkoop, dan wel en dan help je dus meteen anderen aan het werk die ook weer meer kunnen kopen. Eten is de basis van een economie die zich ontwikkelt van eten, naar het autootje voor iedereen, een klerenkast vol, de 2e vakantie en na de vaste telefoon ook nog eens de mobiele en, nog wat later, een laptop voor je 10-jarige dochter. Dat lukt allemaal als je begint eten goedkoop te maken. Dat proces volgt met ijzeren hand zijn weg. Alles wat er altijd al was of een 'basisbehoefte' werd - bijv. je auto of je mobiel - moet altijd goedkoper worden om de volgende nieuwe 'behoefte' te kunnen betalen. Eten, onze meest primaire behoefte naast slapen onder een fatsoenlijk dak en je-weet-wel, staat helemaal onderaan en raakt dus helemaal uitgeknepen. Uiteindelijk moet er alleen nog maar iemand zijn die zo gek is dat hij het wil maken. Bijna voor niks. Maar echte boeren zijn niet gek, maken ze te weinig dan kunnen ze prima leven want dan komen ze dubbel en dwars uit de kosten en houden ze er genoeg aan over om vooruit te kunnen. Maar dat mogen ze niet meer. Van de rest van de economie.
Wat karikaturaal, maar zo waar als de echte logica van het moderne boeren schetsen die paar regels de essentie van ons landbouwbeleid na WO II. Sicco Mansholt, onze eerste landbouwminister zette dat beleid in. Eerst deed hij het anders dan de VS waar ze er al voor de oorlog mee waren begonnen. De Amerikanen gingen meteen voor steeds grotere boeren omdat die steeds groter en dus steeds goedkoper kunnen produceren. Hoe groter, hoe lager de kosten per eenheid product. En hoe lager die kosten, hoe meer individuele consumenten andere spullen - auto's, een klerenkast vol, mobiele telefoons en laptops - zouden kunnen kopen. Mansholt gaf aanvankelijk alle boeren steun, de kleine boeren incluis. Dat deed hij om ze allemaal in gelijke mate te motiveren niet te weinig maar liever teveel te maken. Hij startte met dit beleid in Nederland en bouwde het later uit in Europa tot het verguisde subsidie-systeem.
Mansholt had al snel door dat het niet werkte omdat het leidde tot grote overschotten die met hoge kosten op de wereldmarkt moesten worden gedumpt. Melkplassen en graan- en boterbergen noemden we ze. Hij wilde het corrigeren. Onze rode landbouwminister had Amerikaans-liberale maatregelen in zijn hoofd. Maar het was te laat. De subsidies zijn er nog steeds, ook al zijn ze bezig aan hun laatste jaren. Maar al zijn Mansholt en Europa al lang uit elkaar, de logica van het landbouwbeleid is er ook nog steeds. Het volledig liberale beleid dat nu leidt tot de crisis in het Westland laat precies zien dat de kleur van het beleid niet uitmaakt: het streven naar lage prijzen leidt tot overproductie en faillissementen.
Is het een wonder dat Ten Have zo'n voorstel doet? Als je de productiekosten van eten naar omlaag blijft duwen en er tegelijk eisen aan stelt die economisch niet meer te realiseren zijn door de boer, dan steven je af op een ramp. Want stel je voor dat ze er mee ophouden. Ze maken allemaal hetzelfde en allemaal teveel. Hun afnemers spelen hen tegen elkaar uit. Ze krijgen dus allemaal niks. Dat weten ze van elkaar en op een hete avond kan het zomaar genoeg zijn. Van een overvloed die niks kost, kom je opeens terecht in hongersnood en torenhoge prijzen. Of, dat kan ook, in een soort staatsbedrijven.
Dat zijn voor dit moment voldoende gedachten om de vraag eens heel simpel te stellen: is voedsel in plaats van een functie in de economie, misschien toch niet een maatschappelijke dienst waarvoor we als burgerij bij moeten betalen als we meer willen dan kan in de economische ratrace naar steeds groter en goedkoper? Voor dat laatste hebben we als maatschappij voor gekozen. Willen we meer, dan zullen we daarvoor moeten dokken. Of kan het toch anders?
REAGEER (159 REACTIES)
Doordraaien in een hongerende wereld - waar zit de fout in ons eetsysteem?
Vandaag schaft de EU de regels af die bepalen dat komkommers X centimer lang moeten zijn en niet meer dan Y graden van een rechte lijn mogen afwijken om als eerste kwaliteit verkocht te mogen worden. Dat geldt niet alleen voor komkommers maar ook voor tomaten, paprika's en nog veel meer tuinbouwproducten. Reden: het zijn overbodige regels en de EU vindt het zonde dat er zoveel moet worden weggegooid of als B- en C-kwaliteit op de markt komt.
Begin vorige week sprak ik een grote Nederlandse paprika-teler. Hij stelde voor dat er niet minder groenten en vruchtgroenten zoals tomaten en paprika's moeten worden weggegooid, maar juist veel meer. Er wordt veel te veel gemaakt en dat houdt de prijs laag. Weg dus met al dat marktbederf. Dan maar echte rot, omdat er anders niemand meer overblijft om nog groenten voor ons te telen. De prijzen zijn te laag. Menig bedrijf balanceert op de rand van een failliet. Later in de week sprak ik een biologische groententeler, die het anders verwoordde, maar precies hetzelfde bedoelde. Een miljard mensen op de wereld leidt honger, maar wij moeten hier eens wat minder gaan produceren, dan zou het stukken beter gaan met de boeren in Europa. Hij zei dat je dan zelfs de alom gehate, maar kennelijk onvermijdelijke subsidies op landbouw waarschijnlijk zou kunnen afschaffen. In Nederland alleen al gaat het om een bedrag van € 1,2 miljard. In Europa als totaal gaat het om € 55 miljard.
Gisteren sprak ik een varkenshouder die nogal door de wereld reist en zijn ogen de kost geeft. Hij vertelde dat hij in Zweden was wezen kijken. Daar houden varkens pas echt zoals het moet. Veel ruimte in de hokken. Gelukkige dieren. Hij dacht dat de varkensboer daar wel een goeie prijs voor zijn vlees zou beuren. De boeren hadden immers voor miljoenen geïnvesteerd in nieuwe stallen, iets waar ook Nederland voor staat. Hij wilde eens kijken hoeveel meer de boeren daar nou krijgen. Al helemaal omdat het Zweedse Wakkere Dier blij is, de consument er natuurlijk helemaal voor gaat en Zweden natuurlijk alleen maar Zweeds varkensvlees eten. Niet bleek minder waar. Ze krijgen nog minder
dan hier, terwijl hun kosten ook nog eens veel hoger zijn. Tot overmaat van ramp blijkt er bovendien heel veel goedkoper Deens vlees het Zweedse de schappen uit te concurreren.
De moed en hoop op de toekomst zonken hem in de schoenen nog voor hij in het vliegtuig terug zat. Moesten we niet veel minder varkens maken? Ja, maar dan zouden de kosten weer omhoog gaan en de dieren elders vandaan komen. Een boer in zijn eentje vecht tegen de wereldmarkt. Da's unfair, maar wel waar.
Een laatste puntje van misère. Zelfs de haring - die bedreigde vissoort die Nederland nu eindelijk allemaal onder het beschermende MSC logo heeft gekregen - wordt massaal doorgedraaid.
Honger en overvloed. Overvloed die de boeren in Europa de nek omdraait. Hoe kan dat in 's hemelsnaam? Waar zit de fout in ons eetsysteem?
REAGEER (148 REACTIES)
MEEST GELEZEN DEBAT
Siebenga’s vlees- en voedseltaks
Minister Gerda Verburg, thans demissionair, laat vandaag weten dat ze niets ziet in een vleestaks. Alexander Pechtold (D66), kandidaat voor een ministerspost in het nieuwe kabinet, had net uitgerekend dat het alvast 1 miljard oplevert die hij dan niet meer hoeft te bezuinigen als straks het overheidsapparaat echt flink moet worden ingekrompen. Dat is natuurlijk sowieso een slechte reden om aan vleestaxering te beginnen. Maar nu even serieus, want het moet natuurlijk niet om geld gaan en je hebt wel degelijk vlees - ook al komt het van dezelfde diersoort - dat heel OK is.
Niet alle vlees hoeft op de taks. Er is heel duurzaam vlees. Neem een koe, die gras eet dat er toch maar staat en dat er staat omdat we van weilanden met koeien houden. Neem een varken, het duurzaamste dier ter wereld, dat ons afval zou moeten eten en kan eten van het Nederlandse graan dat we zo mooi vinden wuiven op de akkers maar niet eten omdat het te zacht is om er brood van te bakken. Wist u dat eigenlijk wel? Al ons graan gaat naar de dieren. We kunnen er heel wat van eten en wat moeten we anders met die akkers? In het Groningense Oldambt - graanland bij uitstek - bouwen ze er nu huizen op voor rijke Amsterdammers en Hagenezen. 'De blauwe stad' noemen ze dat. In hun 4x4 BMW's en sportieve Mercedessen blazen die nep-Groningers wekelijks heel wat fijn stof de lucht in tijdnes hun ritjes op en neer naar de Randstad.
Voor die oplossing is maar gekozen omdat het graan niks meer opleverde. En dat kwam weer omdat er niet te weinig, maar veel te veel eten wordt gemaakt. Tis een rare wereld.
Dus als we het nou eens zo doen:
- we stoppen subiet met het verbranden van al dat kostbare eetafval van al die mensenmassa's hier en brengen het naar de beesten; varkens en kippen zijn er dol op en het is goed te verwerken.
- daarnaast voeden we ze met ons graan
- onze landschappen houden we mooi met koeien en andere grazers, die we bij voeren met graan (er is een oude slagerswijsheid: 'je moet koeien hebben die in de meelzak hebben geblazen')
Alle vlees en alle melk die daar vanaf komt noemen we duurzaam, want er is niemand die er iets anders mee kan.
Geu Siebenga, foto: Diederik van der Laan
Alles wat dat niet is, daar komt een heffing op. Dat noemen we de taks van Geu Siebenga, de oude wijze bankier die onlangs een voorstel deed dat kennelijk noch Pechtold, noch Verburg, Wakker Dier, Natuur & Milieu, Milieudefensie of de Dierenbescherming opviel. In een interview waarin het o.m. ging over 'duurzaamheid' kwam hij met een boeiende gedachte:
Het denken in geld alleen leidt tot dat soort toestanden. Er zou een modern soort ‘local for local’ –denken moeten ontstaan. Geen arcadisch gedoe met van die romantische stadslandbouw. Maar efficiënte productie rond stedelijke concentraties. Met duurzame transport afstanden. Daarin zou een goede marktwerking moeten zorgen voor een keuze aan producten die voldoen aan de normen die we stellen op het gebied van milieu, dierwelzijn en een faire beloning voor arbeid en risico. En dat tegen de best mogelijke kostprijzen. Producten die niet aan die te stellen eisen voldoen zouden moeten worden belast. Die belasting zou moeten worden gebruikt om ‘short cuts’ te ondervangen. Die willen we immers niet, want we vinden ze ‘onduurzaam’. Dan moeten we daar ook consequenties aan verbinden
U snapt het al, Siebenga's gedachte geldt niet alleen voor dieren, maar voor alle voedselproductie.
Is het een idee dat ergens op slaat of niet?
REAGEER (64 REACTIES)
Restanten van de beschaving
In boerenblad Nieuwe Oogst schrijft akkerbouwer Huib Rijk deze week een tekst over beschaving en voedsel. Volgens Huib kun je alleen maar naar het geheel kijken en zorgen deeloplossingen altijd weer voor problemen. Honger is niet het gevolg van een tekort aan eten maar van armoe. Geld is het gevolg van genoeg eten, maar het zorgt voor honger elders als we daar niet ook voor genoeg koopkracht zorgen.
Komen we ooit uit deze vraagstukken met de eendimensionale manier van denken die onze tijden kenmerkt?
Het wereldvoedselsysteem zit vol systeemfouten: 1 miljard mensen kampen met overgewicht. Tegelijk zijn er 1 miljard mensen die met honger naar bed gaan, terwijl cijfers van FAO-OECD aantonen dat boeren voldoende voedsel kunnen produceren voor 9 miljard mensen. Verder worden recordhoeveelheden graan in bio-ethanol omgezet, vruchtbare polders onder water gezet, oerwoud gekapt voor teelt van soja, waar koeien melk van produceren die boeren weggooien uit protest tegen machtsmisbruik van supermarkten. In dit artikel wil ik een analyse maken, niet alleen van deze verschijnselen afzonderlijk, maar ook in hun samenhang. Analyses zijn op diverse niveau’s – van het individu tot de mensheid als geheel – sterk verschillend, zelfs vaak tegenstrijdig.
Honger als verdelingsvraagstuk
Een veel gehoorde gedachte is dat er voldoende voedsel is, maar dat slechts de verdeling ongelijk is. Vanuit die gedachte is voedselhulp een logische gedachte: “We feed the world”.
Honger als technologisch vraagstuk
80% van de hongerigen is zelf boer of landarbeider. Maar hun productiemethoden leiden tot lage opbrengsten en uitputting van de grond. “Geef je iemand een vis dan kan hij één dag eten, geef je hem een hengel dan kan hij zichzelf voeden”, dit is het motto van ontwikkelingshulp. De G-20 lanceerde deze zomer het initiatief investeringen in de landbouw sterk te verhogen. Een verhoging van 1% van het landbouwbudget leidt tot 2 á 3% productieverhoging, waarbij landbouw een positieve bijdrage vormt aan de totale economie.
Honger als sociaal-economisch vraagstuk
Input aan productiemiddelen is voor arme boeren te duur, doordat ze te weinig ontvangen voor hun producten.
Het lijkt logisch dat onder moeilijke omstandigheden de ware ondernemers boven komen drijven. Maar ondernemersschap vereist goede omstandigheden: redelijke, en vooral stabiele prijzen. Een boer met koe, maar zonder afzet voor melk, richt zich op zelfvoorzienende landbouw – zolang zijn grond wat opbrengt. Vissers met hengel bij een lege zee investeren niet in een tweede hengel maar gaan op zoek naar alternatieve inkomsten. Opvallend gevolg van piraterij bij Somalië is dat grote vissersboten uit de kust blijven en de visstand zich herstelt. Jongelui zonder nuttige besteding van hun energie en tijd, zijn creatief genoeg om onnuttige bestedingen te bedenken.
Honger als gevolg van machtsstructuren
Boeren worden op diverse niveau’s geconfronteerd met machtsstructuren die in hun nadeel werken. Hierdoor hebben zij geen marktmacht en kunnen geen rendabele prijzen afdwingen. Zij dreigen vaak hun land kwijt te raken omdat ze niet over eigendomspapieren beschikken. Door gebrek aan opslagcapaciteit zijn ze vaak genoodzaakt hun producten na de oogst voor lage prijzen te verkopen – soms moeten ze hetzelfde product later voor veel hogere prijzen terugkopen als hun eigen voorraad op is. Hun belangen worden stelselmatig verkwanseld voor de belangen van de stadselite. En de belangen van arme landen worden weer tegengewerkt door welvarende landen. Dit gaat soms op subtiele wijze. Zo zijn er voor onbewerkte grondstoffen (cacao, koffie, ertsen) geen importheffingen ingesteld. Maar hoe meer bewerking er heeft plaatsgevonden, hoe hoger deze heffingen zijn (tariefescalatie). Ontwikkeling van verwerkende industrie wordt daarmee tegengehouden.
Is het geen schande hoe ontwikkelingslanden hun landbouw verwaarloosd hebben? Maar als die landen IMF-leningen willen, krijgen ze ‘dringend advies’ hun markten te openen voor export uit rijke landen die wel hun boeren beschermen. Honger hangt samen met structuren, zelfs al zien die er barmhartig uit. Als boeren bij voedseltekorten niet profiteren van hoge prijzen, maar juist moeten concurreren met gratis voedselhulp, zijn de gevolgen verwoestend.
Honger als overcapaciteitsprobleem
De landbouw kan voldoende produceren om 9 miljard mensen te voeden. Maar er zijn slechts 6,7 miljard mensen, waarvan er één miljard elke dag met honger naar bed gaan. Dit resulteert in een felle concurrentie om afzetmogelijkheden. Belangrijk is te realiseren dat hier veel indirecte effecten uit voortkomen. Want hierdoor zijn producenten uitwisselbaar en bezitten geen marktmacht. Lage prijzen maakt het arme boeren onmogelijk hun grond goed te verzorgen. Honger en armoede zijn er niet ondanks, maar juist doordat we zo veel kunnen produceren.
Armoede als oorzaak van honger
Binnen het comité voor voedselzekerheid (CFS), onderdeel van de FAO, is de visie dat honger het best bestreden wordt door voedselprijzen zo laag mogelijk te maken. Maar gevolg hiervan is leegloop van het platteland, en daardoor druk op de arbeidsmarkt en nog lagere lonen. Het voedselprobleem hangt samen met het probleem van werkgelegenheid. Als er voor arme boeren voldoende werkgelegenheid in de stad is, dan zijn ze niet genoodzaakt hun onzekere bestaan op het platteland voort te zetten.
Armoede en honger als onderontwikkelingsprobleem
Aanhangers van het neoliberale gedachtengoed zeggen het zelf. De drijvende kracht achter hun systeem is hebzucht; alleen eigenbelang zorgt ervoor
dat mensen zich optimaal inzetten. Zij geloven daarbij dat de markt altijd eerlijk is. Weliswaar niet op korte termijn, maar uiteindelijk corrigeert de markt zichzelf en gaat productie daar plaats vinden waar dat economisch gezien het gunstigst is. Want iedereen die onvoldoende beloning ontvangt voor zijn inzet zal iets anders gaan doen. Dit verschijnsel is zelfs de basis van onze welvaart: efficiëntieverhoging van voedselproductie leidde tot uitstoot van arbeidskrachten, die benut werden om andere goederen te produceren. De economie bleek keer op keer in staat tot ongekende welvaartsvorming. De sleutelvraag is daarmee: waarom leidt dit systeem niet tot welvaart voor iedereen?
Het systeem van vrije markten gaat van één vooronderstelling uit: dat er voldoende mogelijkheden zijn om iets anders te gaan doen als je te weinig verdient. Maar dit is een ongefundeerde gedachte.
De vervanging van menselijke arbeid door machines is een autonoom proces. En dit proces gaat juist versnellen. Het grootste deel van alle arbeid wereldwijd is ongeschoold. Middels kunstmatige intelligentie kan het grootste deel hiervan binnenkort door machines uitgevoerd worden. Want hoe moeilijk kan het in elkaar zetten van een spijkerbroek zijn als zelfs kinderen van 8 of 10 jaar – zonder enige vorm van scholing! – er 10 in een uur maken?
Daarmee komen we in een spagaat terecht. We zijn in staat voortdurend meer te produceren, maar daar hebben we een steeds kleiner deel van de mensheid voor nodig. Belangrijk is te beseffen dat het grootste effect indirect is. Werkloosheidsuitkeringen lijken uitsluitend ter bescherming van werklozen te zijn. Maar juist de werkenden worden er door beschermd. Zij hebben geen enkele machtspositie als er tien anderen achter hen staan die hun werk over willen nemen voor minder loon. Net zoals boeren geen marktmacht in de voedselketen bezitten als ze elkaar verdringen bij de afnemers.
Wij zijn met duizelingwekkende snelheid op weg naar een science-fictionachtige beschaving, maar de beheersing van onze capaciteiten is onderontwikkeld. Het gevaar is levensgroot dat er een onderklasse ontstaat van “onrendabelen”. In dit verband is opmerkelijk dat instrumenten als microkredieten met name effectief zijn voor diegenen die het al redelijk vergaat. De “Bottom billion” zijn onbereikbaar.
Er is nog een tweede spagaat: vanuit economisch oogpunt zouden we veel meer kunnen produceren, maar vanuit duurzaamheidsoogpunt produceren we al veel te veel.
De beschaving van het beleid
Mijn analyse van het huidige beleid is kort en hard: wij zijn heel meelevend in het uitdelen van onze overvloed (voedsel/ontwikkelingshulp), maar slechts zolang dit de bestaande machtsstructuren niet aantast. En maatregelen op beschavingsniveau die zijn zelfs helemaal afwezig.
Dan blijven er slechts “onsmakelijke keuzes” over: boeren in rijke landen een reëel inkomen gunnen of arme boeren rechtvaardige kansen bieden. Of alles aan het marktmechanisme overlaten met verpaupering en ontvolking van het platteland als gevolg. En moeten we kiezen om ons volop te richten op onze internationale concurrentiepositie of voor behoud van een sociaal vangnet en productie die rekening houdt met milieu en duurzaamheid?
Alternatieven
Machtsmisbruik kan alleen bestaan als mensen zich er niet aan kunnen onttrekken. Alternatief beleid moet daarom bestaan uit … alternatieven.
LTO-Akkerbouw heeft een plan ontwikkeld voor variabele bijmenging van bio-brandstof: hoe lager de graanprijs, hoe meer bio-ethanol. Autorijden op voedsel is niet onethisch; juist met alle middelen doorproduceren van overschotten is dat.
Het ontbreekt ons niet aan werkzame instrumenten: subsidies, quotering, regelgeving. Het ontbreekt ons aan de wil om deze zodanig in te zetten dat ze ten bate zijn van de gehele mensheid. Door de globalisering komen we als boeren in één groot systeem. Wij kunnen alleen wat verdienen als we zorgen dat boeren elders op de wereld dat ook kunnen. Er zijn nog meer mogelijkheden: landbouwgrond omzetten in natuur. Dit roept sterke weerstand op, op nationale schaal is dit zelfs kapitaalvernietiging, maar voor de mensheid is natuur van onschatbare waarde. Voor boeren is het van belang te bedenken dat lage prijzen niet komen doordat er te veel boeren zijn, maar te veel productiecapaciteit. Interessant is het voorstel dat landen die in het verleden hun bossen hebben gekapt andere landen ondersteunen hun oerwouden onaangetast te laten.
Hetzelfde geldt voor maatregels voor duurzaamheid. Op individueel of nationaal een concurrentienadeel, op beschavingsniveau essentieel.
Als we de keuze maken om geen keuzes te maken lopen we gevaar in een darwinistisch systeem te belanden waarbij iedereen tegenover iedereen komt te staan: het ene continent tegenover het andere, de ene bevolkingsgroep tegenover de andere (in onze binnensteden bijv). Maar van alle intelligente beschavingen zullen slechts de beschavingen overleven die op beschaafde, duurzame wijze samen leven.
REAGEER (27 REACTIES)

